Provincie Friesland

PERSBERICHT

Nummer: 257 JA
Datum: 18 september 2008

Tweede fase Friese Meren Programma:
Economie en ecologie duurzaam in balans

Groei van de werkgelegenheid in de Friese watersportsector in de periode 2000-2013 met 30%. Investeringen in economie en ecologie zijn daarbij in balans. Deze hoofddoelen stelt het College van GS aan Provinciale Staten voor in een zogenoemde rompnotitie over herijking, prioritering en programmamanagement van het Friese Merenproject 2e fase 2008-2013. In feite dient de tweede fase om de infrastructurele maatregelen uit de 1e fase te verzilveren.

Meer dan in de eerste fase, ligt de nadruk in de tweede fase op investeren in voorzieningen en bedrijvigheid in de watersportkernen. Dat zijn namelijk de plaatsen waar de bestedingen toenemen. Voor de tweede fase is E 250 miljoen nodig, waarvan de provincie ongeveer een derde voor haar rekening wil nemen. Andere financieringsbronnen worden gezocht bij onder meer het Fonds Economische Structuurversterking van het Rijk, Europese fondsen, deelnemende gemeenten en andere partijen.

Uitvoering van de 1ste en de 2e fase van het Friese Merenproject tot 2013 levert in totaal tussen de 900 en 1165 extra banen op. Aan tijdelijke werkgelegenheid biedt het Friese Merenproject gedurende de uitvoering 4750 arbeidsjaren. Het economische effect voor Fryslân wordt geraamd op per jaar 34 tot 37 miljoen euro.

Effecten op natuur en landschap worden bij elke economische investering in het vroegste stadium onderzocht, gemeten en van passende maatregelen voorzien: Economie en ecologie duurzaam in balans. Duurzame materialen en werkmethoden worden toegepast bij bijvoorbeeld de aanleg van 5 nieuwe vaarwegen die het Friese merengebied tot een aaneengesloten vaarroutenetwerk maken en verbetering van aanlegvoorzieningen, havens en bruggen. Innovatieve ontwikkelingen zoals elektrisch varen worden verder gestimuleerd.

In de tweede fase wordt ook de haalbaarheid van een uniforme service- en betalingspas voor de toerist, de watersportpas, onderzocht. Service aan de toerist via internet en mobiele telefoon wordt uitgebreid. Ook verruimt Fryslân de bediening van 79 bruggen en sluizen. Promotieactiviteiten worden voorbereid om toeristische bestedingen aan de wal te vergroten. Met ondernemers en gemeenten worden plannen gemaakt voor bedrijfsinvesteringen.

Van 2000 tot 2007 groeide de Friese toerisme- en recreatiesector met 14% oftewel 2.600 banen. In de sector watersport was er een groei van 14% ofwel ruim 550 banen en dat ondanks een matige conjunctuur; de gemiddelde landelijke groei van de totale werkgelegenheid was in die periode 6%. Ook bij de jachtwerven groeide het aantal banen, tot 1700 banen in 2007.


---- --
ROMPNOTITIE Herijking, prioritering en
programmamanagement
2e fase Friese Merenproject

INHOUD


1 Inleiding.......................................................................................................................... 1
1.1 Beleid en doelen.................................................................................................... 1
1.2 Eco-effectmeting.................................................................................................... 2
1.3 Herijking en prioritering.......................................................................................... 2
1.4 Programmamanagement ....................................................................................... 2
2 Uitkomsten eco-effectmeting.......................................................................................... 4
2.1 Wat zijn de werkelijke effecten tot nu toe? ............................................................. 4
2.2 Welke effecten worden voorspeld? ........................................................................ 7
2.3 Ecologische haalbaarheid.....................................................................................11
2.4 Synthese...............................................................................................................15
3 Herijking en Prioritering.................................................................................................16
3.1 Herijking van de doelen.........................................................................................16 3.2 Prioritering van de maatregelen ............................................................................17 3.2.1 Keuzemogelijkheden voor prioritering boven de zwarte streep..........................18 3.2.2 Keuzemogelijkheden voor prioritering onder de zwarte streep ..........................19 3.3 Financiering ..........................................................................................................22
4 Programmamanagement...............................................................................................23 4.1 Programmastructuur .............................................................................................23 4.2 Sturing ..................................................................................................................28 4.3 Monitoring.............................................................................................................30 4.4 Financiële aspecten..............................................................................................31 Bijlage 1 Rapport Eco-effectmeting..................................................................................34


1 INLEIDING

Fryslân heeft het grootste watersportgebied van West-Europa met 30.000 hectare aan meren en plassen. Dit is nog los van het IJsselmeer, de Waddenzee en de aangrenzende Noordzee. Toeristisch gezien is onze provincie een sterke regio. De werkgelegenheid op het platteland is dan ook mede dankzij de toeristische bestedingen op peil gebleven, ondanks een sterke terugloop van het aantal banen in de landbouwsector.

Daarbij komt dat ook voor het komende decennium wordt verwacht dat toerisme en recreatie wereldwijd, landelijk en provinciaal de snelst groeiende sector is (World Tourism Organization, 2006). Het is de verwachting dat de mondiale groei zal doorzetten met een verdubbeling van het internationaal toerisme tussen 2005 en 2020. Investeren in deze sector op langere termijn is dan ook investeren in werkgelegenheid voor de toekomst.

Op 20 december 2000 is door de Provinciale Staten van Fryslân het Plan van Aanpak Friese Meren, conform ons voorstel vastgesteld. In 2001 is het projectbureau Friese Meren (FMP) ingesteld en van start gegaan. Vanwege het meerjarige karakter van het programma Friese Meren hebben wij in 2007 de 1e fase geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie is voor de periode 2006 ­ 2013 een Plan van Aanpak voor de 2e fase opgesteld: "Koers op Fryslân". Provinciale Staten van Fryslân hebben op 21 februari 2007 dit Plan van Aanpak vastgesteld onder voorbehoud van financiële dekking.

1.1 Beleid en doelen
Het oorspronkelijke beleidskader van het Friese Merenproject is vastgesteld in het Plan van Aanpak december 2000. De uitvoering van het Friese Merenproject is al gedurende drie statenperiodes gebaseerd op de doelstellingen en uitgangspunten van dit Plan van Aanpak.

Een economische structuurversterking is in onze ogen gebaat bij een dergelijke meerjarige en consistente aanpak. Het hoofddoel van het programma zoals dat in 2000 is geformuleerd, spitst zich toe op een verbetering van de kwaliteit van het Friese Merengebied en een versterking van de marktpositie in de sector recreatie en toerisme. Het Plan van Aanpak voor de 2e fase is zeven jaar later aangescherpt op basis van een strategische consultatie van de markt en omgeving van het Friese Merenproject. Het hoofddoel is daarbij onveranderd gebleven, maar is wel explicieter en als volgt geformuleerd:

"Het is de ambitie van de provincie Fryslân om de werkgelegenheidsgroei van 30% in 10 jaar in de Friese watersport gedurende de looptijd van het Friese Merenproject mogelijk te maken."

Bovendien is in de 2e fase veel meer dan in de 1e fase aandacht voor beleefbaarheid en aantrekkelijkheid van het watersportgebied, met als doel meer bestedingen aan de wal. De nadruk is minder dan in de 1e fase gericht op harde infrastructurele werken. Voorbeelden hiervan zijn maatregelen gericht op innovatieve toepassingen in de watersport als bijvoorbeeld de watersportpas en innovatieve dienstverlening in navolging van "Eileen op het water".

In mei 2007 hebben wij het coalitieakkoord vastgesteld. In dit coalitieakkoord geven wij onder het thema "Wurk" prioriteit aan het doorzetten van het Friese Merenproject als koersversterkend bestaand beleid. Bovendien willen wij meer aandacht besteden aan een ecologisch een duurzaam verantwoorde werkwijze in het Friese Merenproject. Verder op in deze notitie leest u daarover meer.


---

In februari 2007 is eveneens door Provinciale Staten de geactualiseerde Beleidsnota R&T 2002-2010 vastgesteld en is voorgesteld om Fryslân internationaal te positioneren als eerste attractie na Amsterdam (Fryslan topattractie). Om dit doel te bereiken zetten wij in op een drietal programmalijnen: (1) Het waddengebied, (2) Grenzeloos Varen en (3) De Friese 11 steden.

Het Friese Merenproject geeft uitvoering aan de programmalijnen "Grenzeloos Varen" en een deel van "De Friese 11 steden". De programmalijn Grenzeloos Varen is nagenoeg volledig geadopteerd in het Friese Merenproject. Het Friese Merenproject draagt met betrekking tot de watersport bij aan deze programmalijn Friese 11 steden. Het bevaarbaar en beleefbaar maken van de gehele Friese 11 stedenvaarroute is een belangrijk onderdeel, maar ook het aantrekkelijker maken van de historische binnensteden en havens van de Friese 11 steden zijn maatregelen die in het kader van het Friese Merenproject worden uitgevoerd.


1.2 Eco-effectmeting
Een belangrijke randvoorwaarde voor het verkrijgen van financiële dekking uit subsidies is het kunnen aantonen van economische en werkgelegenheidseffecten. Daarnaast is een belangrijke randvoorwaarde, dat het Friese Merenproject niet ten koste gaat van natuur en landschap, maar waar mogelijk deze waarden versterkt. Het Plan van Aanpak, "Koers op Fryslân", bevat het voorstel voor een gecombineerde economische-ecologische effectmeting (afgekort tot eco-effectmeting). De functie van deze eco-effectmeting is om de voorgenomen maatregelen in de 2e fase te toetsen op economische en ecologische duurzaamheid. Tegelijk is er een evaluatie uitgevoerd van de effecten van de 1e fase van het Friese Merenproject. De eco-effectmeting is gezamenlijk uitgevoerd door een tweetal onafhankelijke adviesbureaus, namelijk Altenburg & Wymenga en Ecorys. Dit onderzoek is in augustus 2008 afgerond en hoofdstuk 2 beschrijft de belangrijkste aanbevelingen op basis van dit adviesrapport. Voor zover bekend is het de eerste keer in Nederland dat een ecologische effectmeting in deze omvang wordt gecombineerd met een economische effectmeting.
1.3 Herijking en prioritering
Provinciale Staten hebben ons gevraagd te komen met een nadere herijking van de doelen en een mogelijke prioritering van de maatregelen voor de 2e fase van het Friese Merenproject. De eco-effectmeting levert de basis voor deze herijking en prioritering. Bij de herijking van de doelen gaat het om de vraag in hoeverre het Friese Merenproject nog op koers ligt ten aanzien van de verwachte werkgelegenheid en hoe dit zich verhoudt tot de balans met ecologische beleidsdoelen. Bij de prioritering van de maatregelen gaat het om de effectiviteit van de te nemen maatregelen op gewenste effecten. In hoofdstuk 3 is de haalbaarheid van de gestelde doelen door ons beoordeeld en is het maatregelenpakket beoordeeld op effectiviteit. De beoordeling is uiteindelijk de basis om te komen tot ons prioriteringsvoorstel.

1.4 Programmamanagement
Het belang van een specifiek sturingsmodel voor een complex programma als Friese Meren met de daarbij behorende bevoegdheden is door ons in 2007 onderkend. In de Statenvergadering van september en november 2007 is een motie overgenomen waarin u ons heeft verzocht het Friese Merenproject als onderdeel van de programmabegroting 2009 verder uit te werken. In de kadernota 2009 hebben wij aangekondigd najaar 2008 te komen met een programmasturingsplan. Wij werken echter momenteel aan de invoering van programmamanagement concernbreed voor meerjarige omvangrijke clusters van projecten. Doordat het programma Friese Meren vooruit loopt op dit proces, werken wij in eerste instantie de principes en hoofdlijnen uit zoals die in hoofdstuk 4 zijn beschreven. Dit
---

hoofdstuk 4 is een discussiestuk wat wij aan ter kennisgeving aan u voorleggen. Dit discussiestuk vormt de basis voor het besturingsplan van het Friese Merenproject wat in aansluiting met de invoering van programmamanagement concernbreed, in 2009 aan u zal worden voorgelegd en bij de begroting in 2010 zal worden geïmplementeerd.


---


2 UITKOMSTEN ECO-EFFECTMETING

Dit hoofdstuk beschrijft beknopt de belangrijkste uitkomsten van de eco-effectmeting van de bureaus Altenburg & Wymenga en Ecorys (2008).

Allereerst beschrijft dit hoofdstuk de uitkomsten van het economische deel (paragrafen 2.1 en 2.2). De uitkomsten van het ecologische deel treft u aan in paragraaf 2.3.

Het economische deel is tevens een actualisatie van de economische effectmeting die in 2002 door bureau Terp is uitgevoerd. Er zijn twee manieren om economische effecten van investeringen te berekenen, namelijk:

1. op basis van feitelijke werkgelegenheidscijfers achteraf
2. op basis van een modelberekening vooraf
De eerste methode (paragraaf 2.1) heeft als nadeel dat het werkelijke effect van investeringen niet in hetzelfde jaar optreedt als dat de investeringen zijn gedaan. Het nadeel van de tweede methode (paragraaf 2.2) is dat je aannames moet doen die in de toekomst anders uit kunnen pakken als gevolg van externe factoren zoals de conjunctuur.


2.1 Wat zijn de werkelijke effecten tot nu toe?

In het kader van het Friese Merenproject is in het oorspronkelijke plan van aanpak (2000) een investeringspakket opgenomen van 345 mln., waarvan 245 mln. in de 1e fase en 100 mln. in de 2e fase. Omdat dit het oorspronkelijke pakket aan maatregelen apart inzichtelijk te houden is dit spoor I genoemd. In het Plan van Aanpak in 2007 is daar namelijk op basis van consultatie met de samenwerkingspartners in het Friese Merenproject een extra pakket aan maatregelen voor de 2e fase bijgekomen. Dit extra pakket aan maatregelen is apart inzichtelijk gehouden onder de noemer van spoor II en de omvang hiervan bedraagt 150 mln. Onderstaande tabel geeft hiervan het overzicht met daarbij een verwijzing naar de bijbehorende paginanummers in het door PS vastgestelde Plan van Aanpak in 2007.


1e fase 2e fase

Investeringen in spoor I Spoor I = 245 mln. Spoor I = 100 mln. Oorspronkelijk plan 2000 Plan van Aanpak P. 56 t/m 63 Plan van Aanpak P. 64 - 65

Investeringen in spoor II Spoor II = 150 mln. Extra maatregelen Plan van Plan van Aanpak Hfst 5 Aanpak 2007

Bij de vraag wat de werkelijke effecten van het Friese Merenproject tot nu toe zijn, gaat het in feite om de werkelijke effecten van de 1e fase. Deze effecten hebben alleen betrekking op de investeringen in spoor I. De tot nu toe uitgevoerde maatregelen in de 1e fase hebben met een investeringsvolume van 245 mln., tevens betrekking op circa 50% van de totale investeringen in het Friese Merenproject (in totaal 495 mln.).

In afbeelding 1 is de feitelijke werkgelegenheid in de afgelopen jaren weergegeven voor zowel de toeristisch recreatieve sector in Fryslân als geheel, als voor de watersport in Fryslân. In het plan van aanpak voor de 2e fase is eenzelfde soort schema opgenomen, maar afbeelding 1 bevat de meest actuele cijfers (2007).


---

Fout! Objecten kunnen niet worden gemaakt door veldcodes te bewerken. Afbeelding 1

De toelichting op de afbeelding is puntsgewijs als volgt: · De reeks van vergelijkbare werkgelegenheidscijfers start in 1996 (= ijkmoment 100%). Vanaf dat moment zijn werkgelegenheidscijfers in het kader van Toerdata Noord betrouwbaar en onderling vergelijkbaar tussen de diverse jaren; · De grafiek laat duidelijk het conjuncturele effect zien in de periode, dat het economisch minder goed gaat: de jaren 2002 t/m 2005 (blauwe lijn Nederland Totaal); · De 1e fase van het Friese merenproject is gestart in 2000 en ten opzichte van 2000 is er een banengroei in de Friese watersport van 14% (rode lijn); · De doelstelling van het totale Friese Merenproject, inclusief de 2e fase is 30% banengroei in de Friese watersport ten opzichte van het startjaar 2000. Dit wordt in de grafiek weergegeven met de gestreepte rode lijn;
· Deze groei wordt eveneens weergegeven met de paars gekleurde vlakken in de grafiek; · De verwachting is dat met alleen de geplande investeringen in spoor I dit doel niet wordt gehaald (lichtpaarse vak). Daarom is in de 2e fase spoor II opgestart (donkerpaarse vak). · De investeringen in spoor I en spoor II worden weergegeven in de tabel onder de grafiek.


---

Resultaten 1e fase kwantitatief
In de periode 2000-2007 is er mede dankzij het Friese Merenproject (1e fase) een banengroei in de Friese watersport bereikt van 14% (groei algemene werkgelegenheid in Nederland 6%). Het gaat hier om 550 structurele banen, naast de tijdelijke werkgelegenheid van naar schatting ruim 2300 arbeidsjaren. De banengroei in diezelfde periode binnen de toeristisch-recreatieve sector bedroeg 2.667 structurele banen (14%). Tegelijkertijd blijkt de conjunctuur van sterke invloed op deze banengroei. Bemoedigend in dit opzicht is, dat de banengroei in de watersport in Fryslân in de periode 2000 ­ 2007 is gegroeid met 14%. Dit terwijl het gemiddelde landelijke groei van de totale werkgelegenheid op 6% lag. Gezien de matige conjunctuur in deze periode, is wel te concluderen dat het resultaat tot nu toe uitermate positief is. Ten opzichte van de doelstelling van 30% banengroei in de Friese watersport in 2013 ligt het Friese Merenproject ook goed op koers.

Onderstaande tabel geeft het overzicht van de feitelijke banengroei. banengroei 2000-2007 banengroei 2000 ­ 2007 (absoluut) (procentueel) Fryslân toerisme en recreatie 2.667 14% Fryslân watersport 554 14% Bron: Toerdata Noord, 2008

Een belangrijke kanttekening is, dat er bij investeringen als die in het Friese Merenproject altijd sprake is van een ingroeipad van enkele jaren. In dat opzicht geeft zowel de grafiek als de bijbehorende werkgelegenheidsgroei een vertekend beeld. Het effect van de 1e fase zal pas enkele jaren na 2006 volledig zijn en dus waarschijnlijk ook hoger uitvallen.

Daarnaast heeft de 1e fase van het Friese Merenproject geleid tot een enorme promotionele impuls voor de aantrekkelijkheid van de provincie als geheel, zowel voor toeristen, nieuwe inwoners als voor nieuwe bedrijvigheid. Ruim een kwart van de totale Nederlandse watersportindustrie bevindt zich in Fryslân en deze sector maakt mede dankzij het Friese Merenproject een sterke groei door. Behalve de banengroei zijn er meer effecten toe te rekenen aan de 1e fase van het Friese Merenproject. Zo hebben dankzij de investeringen in de watersportinfrastructuur vele gemeenten ruimtelijke plannen ontwikkeld op het gebied van woningbouw, leefbaarheid en het verbeteren van de bereikbaarheid. In de 1e fase van het Friese Merenproject zijn samenwerkingsverbanden tot stand gebracht, die de moeite waard zijn om ook in de 2e fase door te zetten. Het Friese Merenproject heeft gezorgd voor een nieuw elan in de watersportbranche. Zo zijn vele ondernemers en overheden gezamenlijk betrokken bij samenwerkingsprojecten. Overal in de provincie staan inmiddels de bekende bouwborden als teken van de uitvoeringsgerichtheid van het Friese Merenproject. Resultaten zijn te omvangrijk om op te noemen in deze notitie, maar voor de burger daarom niet minder zichtbaar.

Resultaten 1e fase kwalitatief
o Een enorme promotionele waarde voor Fryslân als aantrekkelijke woon-, werk- en vrijetijdsprovincie;
o Aanzienlijke versterking van de Friese watersportindustrie tot kwart van Nederlandse productie;
o Talloze tastbare voorzieningen gekoppeld aan toerisme, woningbouw, leefbaarheid en bereikbaarheid;
o Een nieuw elan in samenwerkingsprojecten tussen overheden en ondernemers in de Friese watersport.

---


2.2 Welke effecten worden voorspeld?

Economisch adviesbureau Ecorys heeft getoetst in hoeverre de in het Plan van Aanpak verwachte effecten ook realistisch zijn. De Noordelijke Rekenkamer heeft er begin 2008 terecht op gewezen dat de berekening van TERP uit 2002 inmiddels verouderd is. Het onderzoek van Ecorys is in dat opzicht een waardevolle actualisatie.

De hoofdconclusie op basis van het ECORYS onderzoek is dat met het pakket aan maatregelen binnen het Friese Merenproject in de 2e fase de economische effecten worden gehaald zoals die ten doel zijn gesteld. Bovendien ligt ROI van het Friese Merenproject met 8 tot 9% ruim boven de te hanteren minimale ROI (4%) van infrastructurele projecten. Vanuit economische optiek leidt de herijking van de doelen dan ook tot de conclusie dat de huidige doelen realistisch en haalbaar zijn. Wel is er op specifieke onderdelen een nadere prioritering in maatregelen mogelijk, gezien het verschil in effectiviteit.

In totaal genereert het Friese Merenproject een economisch effect van tussen de 40 mln. en 46 mln. per jaar. Het effect op de tijdelijke werkgelegenheid is naar verwachting 4.750 arbeidsjaren en er wordt een structureel effect bereikt van 870 ­ 1135 banen.

Het overzicht van de door Ecorys berekende effecten wordt weergegeven afbeelding 2.

Afbeelding 2

De additionele bestedingen vanwege het Friese Merenproject zijn door Ecorys berekend op 33,8 tot 36,6 mln. per jaar. Allereerst wordt het negatieve effect (-12 mln./jr) als gevolg van het dichtslibben van vaarwegen opgeheven door de maatregelen. Daarnaast is het effect van spoor I in de 1e fase1 6,8 mln. per jaar en in de 2e fase 4,2 mln. per jaar. Het effect van spoor II in de 2e fase is tenslotte 10,8 tot 13,6 mln. per jaar. De werkgelegenheidseffecten zijn vervolgens onderverdeeld in tijdelijke en structurele effecten. De uitstralingseffecten


1 In de 1e fase was er ook alleen nog maar sprake van spoor I. Spoor II is pas in de 2e fase geïntroduceerd.

---

tenslotte zijn berekend op basis van reductie van de wachttijden en waardestijging van woningen.

Ecorys komt op basis van onderzoek tot een uitkomst die is weergegeven in het volgende overzicht.

Fout! Objecten kunnen niet worden gemaakt door veldcodes te bewerken.

Afbeelding 3

De uitkomsten van het TERP rapport uit 2002 staan in de linker kolom. De doelstellingen van het Plan van Aanpak (2007) staan in de middelste kolom. En tenslotte staan de uitkomsten van het Ecorys onderzoek (2008) in de rechtse kolom.

De toelichting op de tabel is puntsgewijs als volgt: · Bij de start van het project werd uitgegaan van een investeringspakket van 310 mln. In
2007 werd duidelijk dat het oorspronkelijke doel, mede gezien de neergaande conjunctuur, alleen haalbaar was met een extra inzet. Bovendien was een extra inzet nodig, omdat het plangebied ook is vergroot van alleen het Friese merengebied naar de hele Friese vaste wal. Deze extra inzet is spoor II gaan heten en betekent, samen met het oorspronkelijke pakket (spoor I), een investering van 495 mln. · Het bestedingseffect is het economische effect als gevolg van extra bestedingen door toeristen.
· De autonome ontwikkeling, dus zonder maatregelen, is als gevolg van het dichtslibben van vaarwegen negatief. Volgens Terp (2002) is dit negatieve effect -9 mln. per jaar en volgens Ecorys (2008) met 12 mln. per jaar. Het verschil tussen de beide onderzoeken is dat Ecorys de berekening heeft gebaseerd op een simulatie van het feitelijke vaarnetwerk en destijds zijn er bij TERP aannames gedaan op basis van kengetallen. · Het effect van de oorspronkelijk al geplande maatregelen, oftewel spoor I, raamde TERP op 7,5 mln. per jaar en raamt Ecorys op 11 mln. per jaar. Uit het onderzoek van Ecorys blijkt dat het bestedingseffect van de spoor I maatregelen lager is dan de maatregelen in spoor II. Er is, zoals ook in het Plan van Aanpak 2007 ­ 2013 werd verwacht, sprake van een katalysatoreffect van spoor II. De maatregelen in spoor II geven de bestedingen een extra impuls, waardoor de effectiviteit van de aangelegde infrastructuur hoger wordt. Tegelijkertijd wijst Ecorys er op dat de maatregelen in spoor I wel randvoorwaardelijk zijn en niet vervangen kunnen worden door spoor II maatregelen; · Het effect van de aanvullende maatregelen, oftewel spoor II zijn uiteraard door TERP niet berekend omdat ze toen nog niet onderdeel uitmaakten van het Friese Merenproject. Ecorys raamt de effecten op 10,8 à 13,6 mln. per jaar; · Naast de effecten als gevolg van bestedingen door toeristen heeft het Friese Merenproject meer effecten zoals een vermindering van wachttijden voor bruggen door autoverkeer, een waardevermeerdering van onroerend goed, een versterking van het imago van de provincie voor nieuwe inwoners en bedrijven etcetera. · De reductie van wachttijden wordt door zowel TERP als door Ecorys op circa 2,5 mln. per jaar geraamd;
· De waardevermeerdering van onroerend goed wordt door TERP op 1 à 6 mln. per jaar en door Ecorys op 5 à 7,5 mln. per jaar geraamd. Het verschil tussen de beide onderzoeken is dat TERP destijds een voorbeeldsituatie in Sneek heeft doorvertaald naar de rest van het Friese merengebied. Ecorys heeft de berekening gebaseerd op een provinciedekkend databestand met woningprijzen. · Daar waar door TERP in 2002 alleen is gerekend met een effect binnen het Friese Merengebied, hebben Provinciale Staten in 2007 vastgesteld dat het werkingsgebied voor de gehele Friese vaste wal gaat gelden in de 2e fase. Het werkgelegenheidseffect is hierdoor in de 2e fase ook hoger geraamd dan destijds door TERP was voorspeld. Ecorys
---

heeft deze veronderstelling getoetst en komt tot de conclusie dat een banengroei van circa 1200 banen in de Friese watersport realistisch is. Bij deze banengroei moet wel worden aangetekend dat er daarnaast meer economische effecten zijn op het gebied van verkeer, wonen en nieuwvestiging van bedrijven. · Tenslotte is een ROI berekend van 8 à 9% door Ecorys. Deze ligt hoger dan de 6 tot 8% die destijds door TERP is berekend. Dit is vooral het gevolg van een naar verhouding hogere ROI in spoor II. Ter vergelijking: het Ministerie van Financiën hanteert voor infrastructuurprojecten een minimale ROI van 4%.

Wel is op te merken dat de ramingen van Ecorys behoudend zijn ingeschat. Zo is in de berekening van Ecorys nog geen rekening gehouden met de banengroei binnen de sector jachtbouw, terwijl het Friese Merenproject door deze sector zelf wel als zeer stimulerend wordt ervaren (bron: HISWA). De ontwikkeling van de werkgelegenheid in deze sector was de afgelopen jaren als volgt (afbeelding 4).

Afbeelding 4

Vanaf 2001 is de werkgelegenheid in de jachtbouw met circa 300 banen toegenomen. Om economische haalbaarheid als criterium te kunnen hanteren bij een prioritering van maatregelen heeft Ecorys alle maatregelen van het aanvullende spoor II doorgerekend op hun economisch effect.

De volgende tabel is hiervan het resultaat. Een belangrijke kanttekening bij onderstaande tabel is dat in deze tabel slechts het bestedingseffect is opgenomen. Om te komen op het totale economische effect van de maatregelen moeten de volgende onderdelen daarbij worden opgeteld:
· Autonome ontwikkeling is negatief als je niets doet: dichtslibben van vaarwegen; · Vermindering van de wachttijden voor wegverkeer; · Verhoging van de waarde van onroerend goed.

Maatregelen/ projecten Kosten Bestedingseffect per Bestedingseffect (x mln) maatregel Per maatregel eenmalig (x mln/jaar) (in procenten) A B B/A Speerpunt grenzeloos varen
Versterking toegangspoort Workum 2 0,32 16% Versterking toegangspoort Makkum 2 0,09 5% Versterking toegangspoort Stavoren 2 0,44 22% Optimalisering toegangspoort Lemmer 2 0,34 17% Versterking toegangspoort Lauwersmeer 1 0,13 13% Versterking toegangspoort Harlingen 5 0,12 2%
---

Vermindering wachttijden Kornwerderzand 2 0,16 8%

Optimalisering toegangspoort Zuidoever Tsjûkemar 2 0,25 13% Opwaardering Turfroute Dm klasse en fietsoverstappunten 2 0,73 37% Opheffen knelpunt Leeuwarden in staandemastroute 35 0,27 1% Noordelijke Friese 11-stedenvaarroute 17 0,41 2% Verbinding Drachten-Groningen/ Assen 24 2,75 11%

Speerpunt extra bestedingen aan de wal
Masterplannen Ruimtelijke Kwaliteit watersportkernen 2 3,3 ­ 6,1 NB1 Passantenplaatsen en overige maatregelen 17 1,1 6% Innovatieve toepassingen
Brug- en sluisbedieningstijden 23 NB2 NB2 Watersportpas 12 NB2 NB2
150 10,4 - 13,2 7 tot 9 %

NB1: het procentuele bestedingseffect is het absolute bestedingseffect (3e kolom) gedeeld door de kosten (2e kolom). Voor de Masterplannen is de totale investering uiteindelijk groter dan de planvormingskosten van 2 mln., aangezien de uitvoeringskosten daar nog niet bij in zitten. NB2: Ecorys heeft van de maatregelen onder "Innovatieve toepassingen" niet een absoluut bestedingseffect kunnen berekenen, omdat dit maatregelen zijn die integraal ingrijpen op de overige in de tabel genoemde maatregelen. Feitelijk zijn de innovatieve toepassingen voorwaardenscheppend om het totale bestedingseffect te kunnen halen.

De toelichting bij de uitkomsten in de tabel is als volgt: · In de linkerkolom staan alle maatregelen genoemd binnen spoor II. In de daarop volgende kolom staan de geraamde investeringen per maatregel. Vervolgens bevat de derde kolom het door Ecorys berekende economische bestedingseffect. De laatste kolom vervolgens is het bestedingseffect, gedeeld door de investering. · Voor de toegangspoorten zijn er enkele verschillen economische effectiviteit, variërend van 2% voor Harlingen tot 22% voor Stavoren. De verklaring hiervoor is als volgt:
1) De percentages in de tabel zijn bestedingseffecten gedeeld door de investeringen. Harlingen is duur, dus relatief is het bestedingseffect/investering minder groot.
2) Daarnaast verschillen de bestedingseffecten (middelste kolom) uitgedrukt in mln./jr, omdat de verschillende toegangspoorten ook verschillende potenties hebben. Lemmer en Stavoren zijn drukke vaarroutes. Het effect van capaciteitsverbetering is daarom groter dan in rustigere gebieden zoals Harlingen, Lauwersmeer en Makkum. · Het opwaarderen van de Turfroute heeft een relatief hoog effect, omdat over een relatieve grote lengte een effect kan worden bereikt en dit bovendien momenteel de enige vaarverbinding is met het aangrenzende vaargebied in Drenthe; · Het opheffen van het knelpunt bij Leeuwarden levert een naar verhouding laag rendement op. Dit heeft veel te maken met de verwachte hoge kosten. Daarnaast is de verwachting dat op het totale traject van de Staandemastroute vanaf Vlissingen tot Delfzijl een snellere verbinding om Leeuwarden weinig bijdraagt aan het verhogen van bestedingen. Bovendien is het juist van belang dat de watersporters in het centrum van de Friese hoofdstad komen om daar te verblijven en te besteden. Er zijn echter meerdere positieve effecten van de maatregel, zoals de bereikbaarheid van de Friese hoofdstad over de weg. Juist dergelijke overwegingen zijn een reden waarom er nu een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA) wordt uitgevoerd naar deze maatregel;
10

· De effecten van de Noordelijke 11-stedenvaarroute en de vaarverbinding Drachten- Assen/Groningen zijn in belangrijke mate gebaseerd op de uitkomsten van het intensiteiten model.
o De relatief lage score voor de Noordelijke 11 stedenvaarroute wordt in belangrijke mate bepaald door het feit dat de route deels al bevaarbaar is en het effect van de uitvoering van de maatregelen leidt tot een relatief beperkte kwaliteitssprong: uitvoering van de maatregelen zorgen ervoor dat de route wordt ge-update van een kleine vaarweg naar DM. De huidige gebruiksintensiteit van de (omliggende) vaarwegen in dit deel van de provincie is bovendien beperkt (zie figuur 3 , p.95 van bijlage 1) hetgeen ook een indicatie is van de huidige relatieve aantrekkelijkheid van dit deel van het vaargebied. o Bij de realisatie van de verbinding Drachten-Groningen/ Assen gaat het (deels) om een nieuwe verbinding waarvan een deel bovendien naar een hogere klasse vaarweg wordt gebracht dan de Noordelijke Elfstedenvaarroute. De lengte van de uiteindelijke vaarroute is bovendien langer, hetgeen in het ontwikkelde model ook doorwerkt in de capaciteiten.
· De maatregelen die gericht zijn op extra bestedingen aan de wal kennen een relatief hoog effect, maar dit is niet procentueel weer te geven, omdat het effect sterk zal afhangen van de daarbij behorende vervolginvesteringen per watersportkern.


2.3 Ecologische haalbaarheid

Ecologisch adviesbureau Altenburg & Wymenga heeft getoetst in hoeverre de in het Plan van Aanpak voorgenomen maatregelen ook ecologisch haalbaar zijn en waar mogelijk ecologische winst opleveren.

De hoofdconclusie van dit ecologisch onderzoek is dat het merendeel van de maatregelen, namelijk meer dan 90%, op de betreffende locaties ecologisch haalbaar is, mits er aanvullend mitigerende maatregelen worden genomen. Slechts
10% van de maatregelen is op die specifieke locaties ecologisch gezien niet aanvaardbaar, waarbij het de voorkeur verdient te zoeken naar alternatieve locaties of alternatieve uitwerkingen.

Uitvoering van de 2e fase van het Friese Merenproject als totaalpakket leidt daarnaast tot verhoging van het aantal vaarbewegingen in het vaargebied als geheel, ook in kwetsbare gebieden. Zelfs als in deze kwetsbare gebieden zelf geen maatregelen worden genomen, kan toename van vaarbewegingen vanwege maatregelen elders leiden tot effecten. Deze toename zal dan ook gepaard moeten gaan met een samenhangend pakket aan mitigerende maatregelen, waarmee de ecologische kernkwaliteiten van het Friese watersportgebied gewaarborgd worden.

Ecologische haalbaarheid van de 116 onderzochte maatregelen op locatie

Onderstaande tabel geeft een samenvatting de ecologische effecten van 116 onderzochte maatregelen op specifieke locaties. Van het totaal aan 116 voorgenomen maatregelen in zowel spoor I als II van de 2e fase zijn 10 maatregelen op de geplande uitvoeringswijze, ecologisch gezien niet aanvaarbaar (rood).

---

Verklaring kleuren:
· Blauw (21 maatregelen): reeds onderzocht in eerder stadium; · Groen (3 maatregelen): positief ecologisch effect · Geel (17 maatregelen): neutraal ecologisch effect · Oker (37 maatregelen): neutraal na geringe mitigatie · Oranje (28 maatregelen):
mogelijk knelpunt voor ecologie · Rood (10 maatregelen): duidelijke knelpunten voor ecologie

Voor een uitgebreide uitleg bij de tabel wordt verwezen naar het hoofdrapport "Economische en ecologische effectmeting Friese Merenproject".

De beknopte uitleg bij de in de tabel aangegeven knelpunten is als volgt: · De versterking rond de Sleattemer Mar heeft betrekking op zowel boezemuitbreiding in de Lytse Jerden als ook op een kanoroute via Lutsmond ­ It Swin. De boezemuitbreiding heeft mogelijk een negatief effect op de heikikker, weidevogels en fouragerende ganzen, dat we niet moeten willen;
· De verbinding Leeuwarden ­ Friese Meren heeft betrekking op de sloepenroute tussen Leeuwarden en Grou. Op delen van deze route zijn bittervoorns aangetroffen en mogelijk komt ook krabbenscheer voor. Het knelpunt is oplosbaar en waarschijnlijk vergelijkbaar met de situatie in de Noordelijke 11-stedenvaarroute waarvoor oplossingen zijn bedacht; · De versterking van de toegangspoort Workum heeft onder andere betrekking op de vaarverbinding Hindeloopen Workum via het Warkumer Nijlân en op de realisatie van een strekdam bij De Punt (monding van It Soal). Mogelijk zijn hier oplossingen mogelijk door een gewijzigde locatiekeuze en aangepaste uitvoering;
12

· De versterking van de Aldegeaster Brekken, heeft betrekking op de kade van de Grûns en voorzieningen op het eilandje De Hemmen. Hier komt waarschijnlijk onder andere de Noordse woelmuis en Waterspitsmuis voor in het beschermde habitattype "ruigten & zomen" en verdient het zoeken naar een alternatieve locatie voor de maatregel sterke voorkeur;
· Vermindering van wachttijden bij Kornwerderzand heeft betrekking op maatregelen in het Natura 2000 gebied Waddenzee. Verlies van kwalificerend habitat "Permanent open zee" in de Waddenzee ligt moeilijk, aangezien compensatie nauwelijks mogelijk is; · Bij verbinding Drachten ­ Assen en Drachten ­ Groningen, worden afgesloten watergangen/kanalen opnieuw ontsloten. Het is de verwachting dat zich hier soortgelijke effecten voordoen als ook in het Polderhoofdkanaal, maar dan over een veel grotere lengte.

Voor de maatregelen met duidelijke gevolgen voor ecologie zullen we nader onderzoek doen en is op voorhand nog niet aan te geven of de maatregelen kunnen worden uitgevoerd. Het voordeel van het vroegtijdig kunnen signaleren, is in dit geval dat er nog alle ruimte is om de in de uitwerking van de maatregelen alternatieven te zoeken en/of mitigerende maatregelen te treffen. Dat is ook precies de reden voor deze gecombineerde eco-effectmeting.

Ecologische haalbaarheid FMP 2e fase in het vaargebied als geheel

Behalve de ecologische haalbaarheid van maatregelen in de 2e fase per locatie is er door Altenburg & Wymenga ook gekeken naar effecten van de 2e fase voor het vaargebied als geheel. Dit kan betekenen dat hoewel maatregelen op betreffende locaties geen effect hebben, er toch verderop in het vaargebied in kwetsbare gebieden effecten ontstaan door toenemende vaarbewegingen. Tabel 10 in het onderzoeksrapport op pagina 72 geeft een overzicht van deze analyse.

Op basis van deze analyse springen drie trajecten er uit waarvoor om ecologische redenen alternatieven of mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn, namelijk:
1. Omgeving Aldegeaster Brekken;

2. Polderhoofdkanaal;

3. De nieuwe turfroutes Drachten ­ Assen en Drachten ­ Groningen.

Mitigerende maatregelen en aanpassingen maatregelenpakket De vooraf gestelde randvoorwaarde is, dat het Friese Merenproject niet ten koste gaat van natuur en landschap, maar waar mogelijk deze waarden versterkt. Willen we economie en ecologie met elkaar in balans brengen en voldoen aan deze randvoorwaarde, dan zal er tussen 10 en 14 mln. geïnvesteerd moeten worden in ecologische maatregelen. Aangezien de totale investering in het Friese Merenproject 495 mln. bedraagt, gaat het om 2 tot 3% op het totaal.

Overigens blijkt uit het onderzoek dat het merendeel van de mitigatie van maatregelen op locatie grotendeels budgetneutraal kan worden uitgevoerd. Het gaat dan om aanpassing van bijvoorbeeld de oevers of verlichting. Maar voor een beperkt deel van de maatregelen op locatie geldt dat er mitigerende maatregelen nodig zijn van 2 ­ 4 mln.

Daarnaast zijn er in het vaargebied als geheel mitigerende maatregelen nodig die samenhangen met toename van vaarbewegingen in kwetsbare gebieden. Hiervoor zijn een drietal mitigerende maatregelen nodig namelijk:
Op een aantal onderdelen is aangegeven dat de ecologische kernkwaliteiten in het gedrang komen, tenzij er specifieke mitigerende maatregelen worden uitgevoerd op het gebied van:
1. realisering van ruimere ecologische verbindingszones daar waar een aantal drukker wordende vaartrajecten parallel liggen aan de geplande EVZ's ( 5 mln.);
13


2. opvangen drukverhoging en cumulatie door investeren in waterhuishouding, beheer en rustgebieden in bestaande natuur ( 2 ­ 4 mln.);
3. zonering van de waterport ( 1 mln.).

Een opsomming van de mitigerende maatregelen is weergeven in de volgende tabel, met de daarbij behorende kosten.
Kosten bij volledige uitvoering (mitigatie) Geringe aanpassingen en mitigatie op locatie Grotendeels budget-neutraal Mitigerende maatregelen op locatie bij projecten met 2-4 mln duidelijke effecten
Parallelle ecologische verbindingszones 5 mln Opvangen drukverhoging en cumulatie door 2 -4 mln waterhuishouding, beheer en rustgebieden in bestaande natuur;
Zonering en creëren rustgebieden in de Friese boezem 1 mln Totaal orde grootte 10-14 mln


14


2.4 Synthese

Het Friese Merenproject is voorwaardenscheppend voor de gestelde doelstelling van 30% banengroei in de Friese watersport. De destijds door TERP (2002) berekende verwachting blijft ook met de geactualiseerde effectmeting door Ecorys (2008) overeind. Het berekende effect is hoger, doordat naast het oorspronkelijke spoor I ook een aanvullend spoor II in het Friese Merenproject wordt uitgevoerd in een groter plangebied. Zonder investeringen in het Friese Merenproject zal er sprake zijn van achteruitgang in het aantal vaarbewegingen en daaraan gerelateerde bestedingen en werkgelegenheid.

De ecologische kernkwaliteiten van het Friese watersportgebied kunnen worden behouden en versterkt, mits voor sommige projecten en onderdelen alternatieven worden gezocht en mits er aanvullende investeringen worden gedaan in die kernkwaliteiten (mitigerende maatregelen). Dit is ons uitgangspunt, maar overigens ook geen vrijblijvende optie, gezien de uitkomsten van de ecologische voortoets.

De uitvoering van het pakket aan mitigerende maatregelen ten behoeve van ecologische kernkwaliteiten heeft een totale orde van grootte waarbij het rendement van de investeringen niet onder druk komt te staan. Tegelijk leveren investeringen in natuur en landschap ook een versterking op van de watersport. De watersport in Fryslân is immers juist afhankelijk van een hoge landschappelijk en ecologische kwaliteit.

Een aantal maatregelen moet worden heroverwogen uit oogpunt van ecologische en economische effecten. Zo wordt geadviseerd voor de vaarverbindingen Drachten ­ Assen en Drachten ­ Groningen alternatieve oplossingen te zoeken. En voor wat betreft de Aldegeaster Brekken wordt geadviseerd maatregelen die hier leiden tot meer drukte in dit Natura 2000 gebied achterwege te laten. Daarnaast is op basis van de eco-effectmeting een prioriteringsvolgorde aan te geven in de maatregelen binnen spoor II. Hierover leest u meer in de volgende paragraaf.


15


3 HERIJKING EN PRIORITERING


3.1 Herijking van de doelen

Economisch beleidsdoel
Het resultaat van de eco-effectmeting toont aan dat met de uitvoering van het Friese Merenproject in de 2e fase de beoogde doelen kunnen worden gehaald. De uitvoering van de
2e fase betekent ook voor een deel een verzilvering van de investeringen in de 1e fase, vooral voor wat betreft de maatregelen die gericht zijn op "bestedingen aan de wal". Het totale effect van het Friese Merenproject wordt geraamd op jaarlijks 34 tot 37 mln. en met de uitvoering van de 2e fase komt de effectiviteit hoger te liggen dan het geval is bij stopzetten van het project na de 1e fase. Tegelijk wordt duidelijk dat het niet uitvoeren van de
2e fase een achteruitgang betekent: de bestedingseffecten zullen dan uiteindelijk jaarlijks minimaal 12 mln. lager uitvallen en de beoogde banengroei wordt waarschijnlijk voor de helft niet gehaald. Uit de economische effectmeting blijkt dan ook dat indien de 2e fase niet wordt uitgevoerd, de gestelde beleidsdoelen waarschijnlijk niet worden gehaald.

Ten aanzien van besluitvorming van de provincie Fryslân zijn er twee keuzemogelijkheden: a) Het uitvoeren van de 2e fase met de daarbij behorende investeringen en het daarmee behalen van het beoogde beleidsdoel (economische effect en de daarbij behorende banengroei in de Friese watersport);
b) Het niet uitvoeren van de 2e fase en de daarbij behorende investeringen en het daarmee niet behalen van het beoogde beleidsdoel (economische effect en de daarbij behorende banengroei in de Friese watersport).

Ons voorstel is een keuze voor alternatief a, handhaven beleidsdoel conform het eerdere besluit van Provinciale Staten in februari 2007 en het vervolgens zoeken naar (deels externe) financiering van het maatregelenpakket.

Mitigatie ecologie en duurzaamheid
Uit de ecologische effectmeting komt naar voren dat voor de uitvoering van de 2e fase van het Friese Merenproject een aanvullend pakket aan mitigerende maatregelen noodzakelijk is. In plaats van dit te zien als een lastige verplichting, is het voorstel dat de provincie Fryslân dit ziet als een uitdaging om van het Friese Merenproject een landelijk voorbeeldproject te maken van het samengaan van economie en ecologie. In feite is de ambitie om bij elke maatregel het economisch en ecologisch belang te dienen. Mogelijke negatieve effecten worden omgebogen tot positieve effecten gericht op economie, ecologie en duurzaamheid. De orde van grootte van de uitvoering van dit aanvullende beleidsdoel is 10 ­ 20 mln. Wij stellen een taakstelling voor om via nadere prioritering van maatregelen ruimte te creëren voor het subprogramma "mitigatie ecologie en duurzaamheid". Het totale programma Friese Meren blijft zo binnen de eerdere raming van 250 mln. voor de 2e fase. In de volgende paragraaf doen wij voorstellen voor de nadere prioritering en mogelijke bezuiniging.

Ten aanzien van besluitvorming van de provincie Fryslân zijn er twee keuzemogelijkheden: a) Het formuleren van een aanvullend beleidsdoel mitigatie ecologie en duurzaamheid, uit te voeren binnen het bestaande taakstellende budget. Hiermee wordt naast het oorspronkelijke economische beleidsdoel tevens invulling gegeven aan een duurzame en ecologisch verantwoorde economische ontwikkeling. b) Het niet formuleren van een aanvullend beleidsdoel mitigatie ecologie en duurzaamheid, waardoor een groot deel van de 2e fase van het Friese Merenproject als gevolg van wettelijke bepalingen niet kan worden uitgevoerd. Het gevolg hiervan is vervolgens dat het economische beleidsdoel niet gehaald kan worden en geen invulling wordt gegeven aan onze verantwoordelijkheid op het gebied van een duurzaam verantwoorde aanpak.
16

Ons voorstel is een keuze voor alternatief a, waarbij de financiering voor het bijbehorende maatregelenpakket mitigatie ecologie en duurzaamheid binnen de bestaande raming voor de 2e fase wordt gezocht.

3.2 Prioritering van de maatregelen
Voor wat betreft de prioritering wordt gewerkt met de volgende criteria:
1. Economie:
kosten, bestedingseffect absoluut en procentueel
2. Ecologie: ecologisch effect, kans op ecologische winst
3. Sociale effecten: leefbaarheid, draagvlak
4. Strategische effecten: strategisch belang en onderdeel Fryske Fiersichten

In onderstaande tabel zijn alle maatregelen van spoor II in de 2e fase beoordeeld op de genoemde criteria.

Economisch Ecologisch Sociaal Strategisch Effect effect
---

---
Criterium .t s e di e n e g k ev h ni et t t c hr kl ar h gil c ni c si a o p ci n g a v sf a eff a eff ol bf e sr
---
m e e o e e ei v b n s h n h c k F e g c el c e ni et si e e al si , kjilr k n e . d n g n v ll e g g g u s et nl et e ol s t ar ga et n ut yr ar s s c o n s s e al o m e or c a ni dji ar art e e F v K B P E K w B D S b B ni O Maatregel
Grenzeloos Varen
Poort Workum 2 16% Ja/FF 2 Poort Makkum 2 5% Ja/FF 2 Poort Stavoren 2 22% Ja/FF 1 Poort Lemmer 2 17% FF 1 Poort Tsjûkemar 2 13% - 2 Poort Lauwersmeer 1 13% - 2 Poort Harlingen 5 2% - 3 Kornwerderzand 2 8% - 3 Opwaarderen Turfroute 2 37% - 1 Knelpunt Leeuwarden 35 1% Ja/FF 4 Noordel. 11-stedenvaarroute 17 2% Ja 2 Drachten-Groningen/Assen 24 11% - 4

Bestedingen aan de wal
Masterplannen Ruimtelijk 2 250% - 1 Kwaliteit
Passantenpl. Speelplekken en 17 6% - 1 overig

Innovat. toepassingen id
watersport
Brug en sluisbediening 23 NB1 NB1 NB1 NB1 NB1 ja 1 Introductie watersportpas 12 NB1 NB1 NB1 NB1 NB1 - 2

NB1: De maatregelen die vallen onder Innovatieve toepassingen in de watersport kunnen niet worden beoordeeld op de economische en ecologische effecten, omdat ze niet plaatsgebonden zijn en in feite voorwaardenscheppend zijn voor het hele Friese Merenproject.

= positief 1 = prioriteit 1 = neutraal 2 = prioriteit 2 = enigszins negatief 3 = prioriteit 3 = significant negatief 4 = prioriteit 4


17

Op basis van voorgaande prioriteringsmatrix is ons voorstel om een indeling te maken in viertal clusters.

Maatregelen Opmerkingen Prioriteit

Prioriteit 1
Poort Stavoren Strategisch belang 1 Poort Lemmer Idem 1 Opwaarderen turfroute Alternatief Drachten-Assen 1 Masterplannen Ruimtelijk Kwaliteit Aandacht voor vervolg 1 Passantenpl. Speelplekken en overig - 1 Brug en sluisbediening - 1

Prioriteit 2
Poort Workum Kwalitatief, niet kwantitatief 2 Poort Makkum Idem 2 Poort Tsjûkemar - 2 Poort Lauwersmeer - 2 Noordelijke 11-stedenvaarroute - 2 Introductie watersportpas - 2

Prioriteit 3
Poort Harlingen Effectoptimalisatie 3 Kornwerderzand Combinatie met afsluitdijk 3

Prioriteit 4
Drachten-Groningen/Assen Zoeken naar alternatieven 4 Knelpunt Leeuwarden Nadere studie 4


1 = prioriteit 1

2 = prioriteit 2

3 = prioriteit 3

4 = prioriteit 4

Alle maatregelen boven de zwarte streep zijn in onze ogen in principe uitvoerbaar, waarbij een nadere prioritering in tijd zou kunnen worden gevolgd. Bij de uitwerking en uitvoering van deze maatregelen rekening moet worden gehouden met de aanbevelingen uit de eco- effectmeting.

Voor de maatregelen onder de zwarte streep geldt dat hiervoor nader onderzoek noodzakelijk is naar het ecologisch, dan wel economisch effect. De verwachting daarbij is dat één of meerdere van deze maatregelen daarna niet worden uitgevoerd, waardoor vrijval ontstaat in de totale raming voor de 2e fase. Een dergelijke besparingopgave is overigens ook taakstellend om zodoende de maatregel "mitigatie ecologie en duurzaamheid" ter grootte van 10 ­ 20 mln. te kunnen financieren.

3.2.1 Keuzemogelijkheden voor prioritering boven de zwarte streep Het Friese Merenproject is een meerjarig programma, dat zich uitstrekt over ruim 10 jaar. Uit de eco-effectmeting blijkt dat de economische effecten van een dergelijk meerjarig programma zich uitstrekken over een mogelijk nog langere periode. Besluiten ten aanzien van dit programma hebben in feite betrekking op een tijdspanne waarin exogene factoren als de conjunctuur sterk kunnen wisselen. Tussentijdse bijsturing van een dergelijk meerjarig programma is naar onze mening dan ook noodzakelijk, waarbij opties voor de toekomst niet te snel worden geblokkeerd. Bij elk besluit zullen wij rekening moeten houden met deze langere termijn. Monitoring en (tussentijdse) bijsturing zijn daarbij noodzakelijk.


18

Wij hebben u toegezegd de wijze van monitoring en sturing uit te werken voor het Friese Merenproject. De hiervoor aangegeven prioriteringsmatrix biedt hiervoor aanknopingspunten. Afhankelijk van beschikbare middelen of exogene factoren kan worden besloten de uitvoering van bepaalde delen van het programma in de tijd naar voren of naar achteren te schuiven.

Op basis van de prioriteringsmatrix doen zich daarbij de volgende keuzemogelijkheden voor. a) Het hanteren van de prioriteringsmatrix bij het kiezen van de volgorde in uitvoering en de daarmee samenhangende investeringen, waarbij uiteindelijk alles "boven de streep" wel wordt uitgevoerd, maar er jaarlijks nieuwe keuzen kunnen worden gemaakt. b) Het hanteren van de prioriteringsmatrix voor het definitief schrappen van maatregelen boven de zwarte streep. Het gevolg hiervan is overigens dat het oorspronkelijke economische beleidsdoel dan niet volledig wordt gehaald, afhankelijk van de effectiviteit van de geschrapte maatregel(en).

Ons voorstel is een keuze voor alternatief a


3.2.2 Keuzemogelijkheden voor prioritering onder de zwarte streep

Bij het schrappen van (delen van) maatregelen onder de zwarte streep moet de financiële ruimte worden gevonden van 10 ­ 20 mln. voor dekking van het subprogramma mitigatie ecologie en duurzaamheid. Het vinden van dekking voor het subprogramma mitigatie ecologie en duurzaamheid heeft daarin een hogere prioriteit dan het uitvoeren van de genoemde maatregelen onder de zwarte streep. In totaal bedraagt de raming voor de projecten onder de zwarte streep 66 mln. Dit betekent dat na uitvoering van het subprogramma mitigatie ecologie en duurzaamheid alsnog 46 tot 56 mln. overblijft voor investeringen in maatregelen onder de zwarte streep.

Poort Harlingen en Kornwerderzand
De totale investering voor deze maatregelen bedraagt 7 mln. De maatregelen poort Harlingen en opheffen wachttijden Kornwerderzand leveren naar verhouding een beperkt economisch effect, maar gaan wel gepaard met enigszins negatieve ecologische effecten. Dat laatste heeft te maken met de ligging nabij Natura 2000 gebied Waddenzee en de daarmee samenhangende bijzondere waarden. Het vergroten van de doorstroming vanaf het Wad landinwaarts via Harlingen levert in het vaarbewegingenmodel van Ecorys niet een substantieel effect op. Dat neemt niet weg dat investeringen in het waterfront van Harlingen mogelijk zeer positieve effecten oplevert. Maar dit type maatregelen maakt onderdeel uit van de Masterplannen Ruimtelijke Kwaliteit (programmalijn bestedingen aan de wal) en deze scoren dan ook hoog in de prioriteringsmatrix. Daarnaast zijn er momenteel diverse plannen voor de afsluitdijk, waarin maatregelen bij Kornwerderzand beter opgepakt kunnen worden, dan in het programma Friese Meren.

Ten aanzien van besluitvorming van de provincie Fryslân zijn er de volgende keuzemogelijkheden:
a) Het zonder meer schrappen van zowel de maatregelen bij Harlingen als bij Kornwerderzand en het reserveren van de vrijval van 7 mln. voor het subprogramma Mitigatie ecologie en duurzaamheid. Hiermee is uitvoering van de maatregelen bij Harlingen en Kornwerderzand op voorhand geblokkeerd; b) Het onderbrengen van de wachttijden bij Kornwerderzand in de planvorming rondom de Afsluitdijk en het oppakken van de watersportplaats Harlingen als een van de eerste kernen waarvoor een Masterplan wordt gemaakt. Als er na besteding aan het subprogramma Mitigatie ecologie en duurzaamheid vervolgens nog middelen
19

beschikbaar blijven kunnen deze bijdragen aan de uitvoering in Harlingen en Kornwerderzand.

Ons voorstel is een keuze voor alternatief b.

Verbinding Drachten ­ Groningen/Assen
De totale investering voor deze maatregelen bedraagt 24 mln. De vaarverbindingen Drachten-Assen en Drachten-Groningen leveren naar verwachting forse ecologische knelpunten op. Voor de details hiervan verwijzen wij naar het onderzoeksrapport van Altenburg & Wymenga en Ecorys. Tegelijkertijd levert deze maatregelen ook een fors economisch bestedingseffect op van 2,7 .per jaar. In het onderzoeksrapport wordt de suggestie gedaan bij deze nieuwe vaarbindingen in eerste instantie te kijken naar het opwaarderen van de bestaande verbindingen naar Groningen en Drenthe. Hier zou in onze beleving nader onderzoek naar plaats moeten vinden, maar op voorhand is er al wel een oplossingsrichting aan te geven voor de verbinding naar Drenthe. De bestaande Turfroute is nu namelijk ook al een belangrijke verbinding met Drenthe en door het realiseren van het Polderhoofdkanaal in combinatie met het opwaarderen van de bestaande verbinding via Gorredijk naar Appelscha wordt deze verbinding verstevigd. De in het Plan van Aanpak genoemde verbinding via Bakkeveen komt overigens op dezelfde Drentse Hoofdvaart uit als de huidige Turfroute, maar dan circa 6 km naar het noordoosten.

Afbeelding 5 geeft de ligging van de verbindingen naar Drenthe aan.

Afbeelding 5

Voor de verbinding naar Groningen ligt dit moeilijker. In feite loopt de enige aantrekkelijke route momenteel via het Lauwersmeer. De kortere route via het Prinses Margrietkanaal/Van Starkenborgkanaal, is momenteel onaantrekkelijk en niet veilig. In een nadere verkenning zou kunnen worden bekeken welke alternatieve verbindingen met Groningen mogelijk zijn, waarbij de balans voor wat betreft ecologie gunstiger uitpakt.
20

Ten aanzien van besluitvorming van de provincie Fryslân zijn er de volgende keuzemogelijkheden:
a) Het niet uitvoeren van de vaarverbinding Drachten-Assen/Groningen en het ook niet zoeken naar vervangende maatregelen met minimaal eenzelfde bestedingseffect. Het gevolg hiervan is dat de totale investeringssom van het Friese Merenproject 24 mln. lager uitvalt en het verwachte bestedingseffect naar verwachting 2,7 mln per jaar lager uitvalt. Als gevolg hiervan zal de beoogde banengroei van 1200 banen naar verwachting circa 8% lager uitvallen en wordt het beleidsdoel niet volledig gehaald; b) Het zoeken naar alternatieven die eenzelfde bestedingseffect behalen, zonder dat dit gepaard gaat met ecologische knelpunten. Daarbij zou enerzijds de huidige Turfroute aanvullend opgewaardeerd kunnen worden, waardoor de nieuwe verbinding via Bakkeveen niet meer nodig is. Hiervoor is geen nader onderzoek nodig. En anderzijds zou naar de verbinding Drachten-Groningen een nader onderzoek kunnen worden gestart naar een traject waarmee de balans voor wat betreft ecologie gunstiger uitpakt.

Ons voorstel is een keuze voor alternatief b.

Opheffen knelpunt bij Leeuwarden
De totale investering voor deze maatregelen bedraagt 35 mln. Voor wat betreft het knelpunt bij Leeuwarden geldt dat uit het oogpunt van banengroei in de watersport hier volgens het onderzoeksrapport een relatief laag effect te verwachten is. In principe is hier door het schrappen van de maatregel dekking te vinden voor het subprogramma mitigatie ecologie en duurzaamheid, zonder dat dit ten koste gaat van het werkgelegenheidseffect. Maar dit neemt niet weg dat het opheffen van het knelpunt bij Leeuwarden uit andere optiek, bijvoorbeeld de bereikbaarheid van Leeuwarden als Friese hoofdstad, belangrijk kan zijn. Daarnaast is in de berekening van het economische effect door Ecorys nog geen rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen aan de oostzijde van Leeuwarden. In de toekomst zou de watersport hier conform plannen van de gemeente Tytsjerksteradiel en de gemeente Leeuwarden gestimuleerd kunnen worden. Om deze redenen wordt er momenteel een Maatschappelijke Kosten-Baten Analyse (MKBA) uitgevoerd in opdracht van de gemeente Leeuwarden en de provincie Fryslân.

Ten aanzien van besluitvorming van de provincie Fryslân zijn er de volgende keuzemogelijkheden:
a) Het niet uitvoeren van deze maatregel en het daardoor besparen op de investeringen met 35 mln. Met deze vrijval kan vervolgens het subprogramma mitigatie ecologie en duurzaamheid ( 10 ­ 20 mln.), worden gedekt. Het gevolg hiervan is dat het beoogde bestedingseffect nagenoeg gelijk blijft met minder investeringen. b) Het vooraf wel reserveren van 10 ­ 20 mln. voor het subprogramma mitigatie ecologie en duurzaamheid. En het vervolgens op basis van het MKBA onderzoek besluiten tot het alsnog investeren in de oostzijde van Leeuwarden om mogelijk strategische redenen. De omvang van het resterende budget voor deze maatregel zal mede afhankelijk zijn van het totale budget voor de maatregelen onder de streep na aftrek van 10 ­ 20 mln. voor het subprogramma mitigatie ecologie en duurzaamheid. Het gevolg hiervan is dat de oorspronkelijke raming van 495 mln gelijk blijft, maar dat het economische effect van het Friese Merenproject mogelijk nog groter wordt dan beoogd.

Ons voorstel is een keuze voor alternatief b


21


3.3 Financiering
De begrotingsvoorstellen 2009 voor het Friese Merenproject maken deel uit van de provinciale begroting 2009 (pag. 90-94). Deze begrotingsvoorstellen zijn gebaseerd op het Plan van Aanpak 2e fase, vastgesteld door PS in februari 2007. U treft in dit document dus geen nieuwe begrotingsvoorstellen aan of voorstellen tot wijziging.

Na de besluitvorming over de voorgestelde prioritering, zullen deze als uitgangspunt worden gehanteerd bij de kaderbrief 2010. Voor wat de begroting 2009 betreft zullen wij binnen ons mandaat waar nodig middelen verschuiven om te voldoen aan de gestelde prioriteiten.

De totale ambitie van Spoor I en II vraagt een dekking van in totaal 250 mln. Zoals in de begroting 2009 pagina 94 is aangegeven is het provinciale aandeel als gevolg van de Falconcriteria (33,3 % provinciale bijdrage) 85 mln. en de externe financiering 165 mln. Van de 85 mln. aan provinciale middelen is in de begrotingen tot en met 2008 in totaal 27 mln. gedekt, waardoor vanaf 2010 nog een beroep zal worden gedaan op 59 mln. aan provinciale middelen. Dat betekent dat wij de inspanning op ons nemen om externe financieringsbronnen aan te boren om de dekking te completeren. Ons uitgangspunt daarbij is dat de betrokken andere overheden als gemeenten en Wetterskip vergelijkbaar als in de 1e fase eveneens 33% bijdragen en dat de resterende 33% gevonden zal moeten worden uit Rijks- of Europese bronnen. We hanteren daarbij een dubbele strategie. Enerzijds werkende weg per project zoeken naar incidentele kansen. Een recent voorbeeld is de financiering van de Noordelijke Elfstedenvaarroute met een bijdrage uit het Waddenfonds van 11 mln. Ook kan incidenteel voor enkele miljoenen een beroep worden gedaan op ILG-middelen, zoals nu ook al praktijk is voor o.a. het Polderhoofdkanaal, de brug bij Irnsum en de aanpassing van diverse bruggen) of voor projecten op het gebied van innovatie en duurzaamheid uit Koers Noord. Anderzijds zullen wij om externe financiering voor de langere termijn te bewerkstelligen, inzetten op een bijdrage uit het Financieringsfonds Economische Structuurversterking (FES). Een integrale aanpak zoals nu voorgesteld, waarbij economische-, ecologie- en duurzaamheidsdoelen op de schaal van Fryslân in samenhang worden opgepakt, lijkt aansluiting te kunnen vinden bij de doelen van het FES: "van nationaal belang" en "ruimtelijk economisch structuur versterkend". Dat een dergelijke aanvraag kansrijk is, bleek reeds in 2006 uit een onderzoek van ECORYS in opdracht van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, waarin de 2e fase van het FMP onder de noemer "Grenzeloos varen" is beoordeeld op basis van de CPB criteria waaraan een FES-aanvraag wordt getoetst. Uit deze toetsing bleek het FMP 2e fase goed te scoren op de criteria "legitimiteit' en "effectiviteit", maar vroeg om verbetering op de indicator "efficiëntie" (investering per arbeidsplaats). Bij het opstellen van een FES-aanvraag zou op dit punt een nadere selectie dienen plaats te vinden van maatregelen of projecten die de score op dit punt te verbeteren.

---


4 PROGRAMMAMANAGEMENT

Inleiding
In de 1e fase van het Friese Merenproject is de planning & control van het programma opgegaan in het algemeen geldende sturingsinstrumentarium van de provinciale organisatie. Het belang van een specifiek sturingsmodel voor een complex programma als het Friese Merenproject met de daarbij behorende bevoegdheden is in 2007 onderkend. In de Statenvergadering van september en november 2007 is een motie overgenomen waarin u ons heeft verzocht het Friese Merenproject als onderdeel van de programmabegroting 2009 verder uit te werken.

In de kadernota 2009 heeft u vervolgens kennis kunnen nemen van de uitgangspunten voor programmasturing en programmabudgettering:
· Friese Meren is een programma met een meerjarig karakter, waarop de sturing en budgettering wordt afgestemd.
· Provinciale Staten sturen op de gewenste effecten en resultaten op programmaniveau, waarbij de onderdelen van het programma met nadrukkelijke politieke en/of financiële impact in ieder geval worden besproken.
· De gewenste effecten en resultaten hebben betrekking op de te realiseren werkzaamheden, het budget en de tijdsplanning. · Het budget is taakstellend voor het programma als geheel gedurende de looptijd 2008 ­
2013.
· Verbeteren van de financiële transparantie en beheersbaarheid van het programma, door programmaonderdelen met verschillende kosteneffecten (zoals structurele afschrijvingskosten en incidentele lasten) in samenhang beheersbaar te maken.

Het discussiestuk vormt de basis voor het in 2009 uit te werken besturingsplan Friese Merenproject. Wij willen de uitwerking van het besturingsplan aan laten sluiten op de concernbrede besluitvorming over programmamanagement in 2009. De implementatie van programmamanagement zal aansluitend plaatsvinden bij de begroting 2010.

Leeswijzer
Dit hoofdstuk is een discussiestuk en bevat de principes en hoofdlijnen van programmamanagement voor het Friese Merenproject.


4.1 Programmastructuur

Het Plan van Aanpak 2e fase van februari 2007 beschrijft drie programmalijnen, namelijk:
1. Grenzeloos varen;

2. Stimuleren van extra bestedingen aan de Wal;
3. Innovatieve toepassingen in de watersport.

Zoals wij in hoofdstuk 3 al hebben aangegeven, is het voorstel om op basis van de uitkomsten van de eco-effectmeting, een programmalijn "Mitigatie ecologie en Duurzaamheid" toe te voegen. Bij de uitwerking van programmamanagement voor het Friese Merenproject is ons tevens gebleken dat de programmalijn "innovatieve toepassingen in de watersport" geen primair doel is, maar ondersteunend is aan het Grenzeloos Varen en het stimuleren van bestedingen aan de wal. Daarom wordt voorgesteld om de programmalijn innovatieve toepassingen in de watersport onder te brengen bij de programmalijnen Grenzeloos Varen en stimuleren bestedingen aan de wal.


23

Dit resulteert in de volgende programma-indeling:


1. Grenzeloos Varen;

2. Stimuleren van extra bestedingen aan de wal;
3. Mitigatie ecologie en duurzaamheid.

De maatregelen van Spoor I en II zijn in deze drie programmalijnen geïntegreerd, zodat er sprake is van één logische en samenhangende indeling van het programma.

In de eco-effectmeting (bijlage 1 bij de rompnotitie) is een rekenkundig model gehanteerd om de verwachte effecten te bepalen. In het rekenmodel zijn "vaarbewegingen" en "bestedingen per vaarbeweging", de parameters die het bestedings- en daarmee het werkgelegenheidseffect bepalen. Afbeelding 6 geeft het verband tussen de programmalijnen en het programmadoel weer.

Afbeelding 6

Met de maatregelen in de drie programmalijnen kan de provincie Fryslân invloed uitoefenen op het werkgelegenheidseffect:

1. Door maatregelen om Grenzeloos Varen te simuleren blijft minimaal het aantal vaarbewegingen op peil, met naar verwachting een lichte stijging in de toekomst.
2. Door maatregelen om de Bestedingen aan de wal te stimuleren nemen de bestedingen per vaarbeweging toe.

3. Door maatregelen om de kwaliteit en duurzaamheid van landschap, natuur en milieu te verhogen. Deze maatregelen zijn voorwaardenscheppend voor het op een ecologisch
24

verantwoorde en duurzame wijze kunnen uitvoeren van de 2e fase van het Friese merenproject.

De vaarbewegingen en bestedingen per vaarbeweging leiden tot een bestedingseffect (in mln. / jaar). Dit bestedingseffect vertaalt zich door naar een werkgelegenheidseffect (in aantal extra banen). De relatie tussen vaarbewegingen, bestedingen en het beoogde bestedingseffect is overigens mede afhankelijk van exogene factoren. Factoren die een significante invloed hebben op het bestedingseffect zijn de conjunctuur en het besteedbaar inkomen. Maar ook de beschikbare vrije tijd of de mate waarin deze vrije tijd aan watersport wordt besteed zijn voorbeelden van exogene factoren. Deze factoren zijn niet beïnvloedbaar door de provincie Fryslân.

Het ontwikkelen van een gedragen logische structuur is essentieel voor de besturing van het programma. De programmastructuur wordt in afbeelding 7 weergegeven.

Fout! Objecten kunnen niet worden gemaakt door veldcodes te bewerken. Afbeelding 7 Programmastructuur Friese Merenproject

De programmastructuur vormt het netwerk van doelen, subdoelen, smart-doelen en maatregelen. De maatregelen in het schema vormen slechts een deel van het totaal. Onder de maatregelen ligt het niveau van de projecten die in afbeelding 8 zichtbaar is gemaakt.

Hoofddoel
Versterking van de economische positie van recreatie en toerisme en de kwaliteit van het Friese vaargebied door een toename van de werkgelegenheid in de watersportsector in Fryslân met 30%. Dit werkgelegenheidseffect wordt mogelijk gemaakt door het stimuleren van een bestedingseffect in de Friese watersport.

Subdoelen
In het programma zijn drie subdoelen bepalend voor het op een ecologisch verantwoorde en duurzame wijze behalen van de werkgelegenheidsdoelstelling: Grenzeloos varen: om een bestedingstoename voor de lange termijn mogelijk te maken is het noodzakelijk dat de doorvaarbaarheid en capaciteit van het vaargebied op peil wordt gebracht en gehouden. Hierdoor blijft het aantal vaarbewegingen gelijk of neemt zelfs toe. Door de doorvaarcapaciteit te verhogen neemt tegelijk de capaciteit van het vaarwegennet als totaal toe. Dit subdoel bestaat uit 2 delen: enerzijds een toename van de capaciteit van het Friese vaarwegennetwerk in lengte en tijd door nieuwe vaarverbindingen en het reduceren van wachttijden door ruimere brug- en sluisbedieningstijden. Anderzijds een toename van de doorvaarbaarheid door vaarwegverdieping, de verhoging van bruggen en verruiming van sluizen. Bestedingen aan de wal: door verbeteringen in de havenfronten en voorzieningen in de toegangspoorten en watersportkernen van Friesland en deze te promoten zullen de bestedingen aan de wal gaan toenemen. Om de relatie te houden met het aantal vaarbewegingen zal dit subdoel gericht zijn op de toename van de bestedingen per vaarbeweging.
Mitigatie ecologie en duurzaamheid: randvoorwaardelijk voor de hiervoor genoemde subdoelen is het behoud van de kwaliteit van natuur en landschap en het realiseren van een duurzame inrichting van het watersportgebied.

SMART-doelen:
Per programmalijn zijn SMART doelen geformuleerd. Om deze SMART doelen te kunnen realiseren zijn maatregelen geselecteerd.

25

In de programmalijn Grenzeloos Varen gaat het om het ontplooien van maatregelen om het vaargebied in Friesland aantrekkelijker te maken voor de watersporter. In de programmalijn Bestedingen aan wal gaat het om maatregelen die gericht zijn op investeringen in de ruimtelijke kwaliteit van de havenfronten van toegangspoorten en watersportkernen, de ontwikkeling van informatiediensten voor de watersporter en de promotie van de verbeteringen in de kwaliteit en de voorzieningen van het Friese watersportgebied.
In de programmalijn Mitigatie ecologie en duurzaamheid gaat het om maatregelen die een kwaliteitstoename van natuur, landschap, en milieu bevorderen en de duurzaamheid stimuleert.


26

Voorbeeld programmalijn Grenzeloos Varen

Een voorbeeld van de indeling van de programmalijn Grenzeloos Varen is in afbeelding 8 opgenomen. In de figuur is te zien welke relaties er liggen tussen de maatregelen en de SMART-doelen. Een maatregel bestaat uit een of meerdere projecten. Vanwege het detailniveau zijn de projecten niet opgenomen in het voorbeeld. In de bijgevoegde notitie programmamanagement is de programmastructuur voor de drie programmalijnen in detail tot op maatregelniveau uitgewerkt.

Fout! Objecten kunnen niet worden gemaakt door veldcodes te bewerken. Afbeelding 8: Subdoel, SMART-doelen en maatregelen Programmalijn Grenzeloos Varen

Subdoel Programmalijn Grenzeloos varen:
Een toename van de capaciteit van het Friese vaarwegennetwerk in lengte en tijd Een toename van de doorvaarbaarheid door met name vaarwegverdieping en de verbreding en verhoging van bruggen en sluizen.

Daartoe zijn de volgende SMART doelen gedefinieerd: In 2013 zijn 8 knelpunten weg/water binnen de scope van FMP opgelost; In 2010 zijn de prioritaire vaartrajecten gerealiseerd (conform de projectenlijst recreatieve vaarwegen A uit het PVVP).
In 2013 zijn de bedieningstijden van 79 bruggen en sluizen in Fryslân voor watersportrecreatie verruimd;
In 2013 zijn er 10 opgewaardeerde verbindingsschakels om vanuit andere vaargebieden en/of provincies Fryslân te bereiken over het water.

Maatregelen/Resultaten:
Aanleg van 5 aquaducten;
Aanpassen van 2 beweegbare bruggen en 1 sluis;
Verruiming bedieningstijden voor 79 bruggen en sluizen; Ophogen, verbreden, vervangen of beweegbaar maken van 136 bruggen; Aanleg van 5 nieuwe vaarwegen als ontbrekende schakel in het vaarroutenetwerk;
8 fysieke aanpassingen aan de bruggen, sluizen en andere infrastructuur; Realisatie van 2 nieuwe verbindingen met Drenthe en Groningen; Opwaardering 215 km vaarroutes;
Op diepte brengen van 410 km bestaande vaarwegen; Verdiepen van 240 km bestaande vaarwegen.


4.2 Sturing

Het Friese Merenproject is een programma met een meerjarig karakter, waar de sturing en budgettering moet worden afgestemd op de te realiseren doelstellingen. Om het meeste maatschappelijke rendement te halen, sturen wij op een zo optimaal mogelijke verhouding tussen de doelen, de daarvoor noodzakelijke maatregelen en de daarbij behorende uitvoeringskosten. Gezien de politieke context is het wezenlijk dat het programma kan anticiperen op de wijzigingen van bestuurlijke prioriteiten. Het voordeel van programmamanagement is dat de doelen goed kunnen worden afgestemd op de beschikbare middelen en dat de maatregelen op een gecoördineerde en gestructureerde manier worden gerealiseerd. De doelen van het gehele Friese Merenproject zijn daardoor beter te beheersen en te verantwoorden. Deze paragraaf bevat voorstellen omtrent de
27

sturing van het Friese Merenproject, gebaseerd op de methodiek van programmamanagement van Twijnstra en Gudde.

Sturingsconcept

Fout! Objecten kunnen niet worden gemaakt door veldcodes te bewerken. Afbeelding 9: sturingsconcept Friese Merenproject

In het sturingsconcept vormen de gewenste doelen, subdoelen en SMART doelen het vertrekpunt. Vanuit de gewenste doelen worden net zo veel maatregelen gedefinieerd als nodig zijn om de gestelde doelen te kunnen realiseren. Door de maatregelen uit te voeren worden resultaten bereikt. Het gebruik van de resultaten leidt naar verwachting tot de gewenste effecten. Een voorbeeld ter illustratie. Gebaggerde vaarwegen en nieuwe vaarverbindingen leiden tot een toename van de doorvaarcapaciteit en lengte van het Friese vaargebied. Naar verwachting zal dit aantrekkelijkere vaargebied leiden tot een toename van het gebruik door de watersporters, wat zal leiden tot een toename van de bestedingen en werkgelegenheid in de toeristische sector in Fryslân. Het proces van doelen stellen en meetbaar maken, maatregelen uitvoeren, resultaten verzilveren en uiteindelijk de doelen bereiken is de basis van het sturingsconcept. Het behalen van de doelen is vanwege exogene factoren niet afdwingbaar, wel beïnvloedbaar. Voor de maatregelen geldt wel dat de resultaten afdwingbaar zijn.

De aansluiting tussen doelen, maatregelen en middelen en de methodiek van de 3 W vragen die bij de begroting wordt gehanteerd te behouden: · De doelen, subdoelen en SMART doelen beschrijven wat er bereikt gaat worden; · De maatregelen beschrijven wat hiervoor wordt uitgevoerd; · De middelen geven aan wat het mag kosten.

Het sturingsconcept is in de notitie programmamanagement verder uitgewerkt.

Besluitvorming
Nadat de doelen zijn benoemd, de noodzakelijke maatregelen zijn geselecteerd en de middelen zijn geïdentificeerd kan de uitvoering van het programma plaatsvinden zodra GS en PS daartoe hebben besloten. Ook tussentijds worden deze organen in de gelegenheid gesteld besluiten te nemen rond het programma. Het is voor het programma van cruciaal belang dat bij deze besluitvorming telkens wordt gekeken naar het hele netwerk van doelen, inspanningen en de beschikbare middelen. Ingrijpen in één van deze componenten kan niet los worden gezien van de andere.

Voor Provinciale Staten is de kernvraag bij sturing op het programma of de afgesproken doelen op tijd gehaald worden. Daarbij is het overigens goed om te beseffen dat de gewenste effecten later zullen optreden dan het beschikbaar komen van de resultaten van de inspanningen. Er is sprake van een ingroeipad.

Provinciale Staten nemen besluiten over het geheel aan Doelen en Middelen. Het gaat daarbij om zowel het formuleren van het hoofddoel, per programmalijn het Subdoel, en de SMART doelen binnen de programmalijnen. Voor de uitvoering van de maatregelen stelt zij middelen beschikbaar. Jaarlijks gebeurt dit bij de vaststelling van de begroting.

Gedeputeerde Staten nemen besluiten over de Maatregelen en Middelen. Binnen de door Provinciale Staten geformuleerde doelen en beschikbaar gestelde middelen, heeft GS de bevoegdheid maatregelen en projecten te selecteren en te prioriteren en daaraan middelen te koppelen.


28

Beheersing
De beheersing van het programma richt zich op de volgende criteria: Tempo Doelen, Maatregelen/projecten en Middelen Haalbaarheid Doelen, Maatregelen/projecten en Middelen Efficiëncy van de Doelen en Maatregelen/projecten Doelgerichtheid van de Doelen en Maatregel/projecten


29

In onderstaande tabel zijn de criteria voor de beheersing van het programma geoperationaliseerd:

Tempo Haalbaar- Efficiëncy Flexibiliteit Doelgerichtheid heid
Doelen Worden de Zijn de doelen Zijn de SMART Dragen de SMART SMART doelen haalbaar doelen efficiënt doelen voldoende bij op tijd aan de Subdoelen gerealiseerd
Maatregel/ Worden de Zijn de Zijn de Dragen de Project maatregelen/proj maatregelen/ maatregelen/ inspanningen/ ecten op tijd projecten projecten efficiënt projecten voldoende gerealiseerd Haalbaar - rendement op bij aan de subdoelen
- ecologische investering - economisch effect haalbaarheid - kosten mitigatie - kansen ecologische
-draagvlak - onderdeel van winst bevolking bestaande - bijdrage aan bestuursafspraken leefbaarheid
- strategisch belang Middelen Zijn de middelen Zijn de
op tijd middelen
beschikbaar haalbaar


4.3 Monitoring

Monitoringsconcept
In de programmastructuur is er sprake van een logische samenhang van doelen, subdoelen, SMART doelen, resultaten, maatregelen en projecten.

Meten Meten middelen effecten ExplEcixpercineren i t liet Werkelijke Doelen toestand

Specificeren Middelen Verzilveren Meten gebruik

Maatregelen Re- projecten sultate-
---
UitvoUiten eren ervo sultate-
---
sultat Meten Maatregelen projecten

Afbeelding 10: Monitoringsconcept


30

De nieuwe programmastructuur voor het Friese Merenproject biedt een heldere basis voor de (bij)sturing van het programma. Deze (bij)sturing kan echter niet zonder deugdelijke en volledige informatie.

Deze informatie heeft betrekking op:

- de beschikbaarheid en besteding van de middelen
- het verloop van de maatregelen en projecten
- het behalen van de doelen, subdoelen en SMART-doelen
- de ontwikkeling van neveneffecten en exogene factoren.

De relatie met de 3 W vragen uit de jaarstukken is hierbij: · De doelen, subdoelen en SMART doelen beschrijven wat er is bereikt; · Het verloop van de maatregelen beschrijven wat hiervoor wordt/is uitgevoerd; · De besteding van middelen geeft aan wat het heeft gekost.

Verantwoording

De verantwoording vindt als volgt plaats.

Rapportagefrequentie Rapportagefrequentie Onderwerp Programmaorganisatie aan GS GS aan PS Hoofddoel 3 jaarlijks (tussenbalans) 3 jaarlijks Subdoel 3 jaarlijks (tussenbalans) 3 jaarlijks SMART doel 3 jaarlijks (tussenbalans) 3 jaarlijks Maatregelen/resultaten 3 maal per jaar 3 maal per jaar Middelen 3 maal per jaar 3 maal per jaar

De doelen, subdoelen en SMART-doelen van de programmalijn Mitigatie Ecologie en Duurzaamheid zullen niet meetbaar worden gemaakt omdat de uitkomsten zeer moeilijk meetbaar zijn en de maatregelen slechts in beperkte mate van invloed zijn op de doelen. In de notitie programmamanagement is een uitwerking opgenomen van de elementen die in het kader van de monitoring van het Friese Merenproject wel worden gemeten. Voor het merendeel van deze elementen zal nog een nulmeting moeten worden uitgevoerd. In het besturingsplan zullen de nul- en doelwaarden (m.u.v. de doelen van de programmalijn Mitigatie Ecologie en Duurzaamheid) per element worden opgenomen.


4.4 Financiële aspecten
In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de doelen. Met Provinciale Staten wordt afgesproken wat het Hoofddoel, de Subdoelen en de SMART-doelen (in Begrotingstermen `resultaten') zijn. In dit hoofdstuk gaan we in op de financiële aspecten.

Twee budgetten: exploitatie en investeringen
In het FMP worden de uitgaven gedaan vanuit twee soorten budgetten. Enerzijds zijn het uitgaven aan maatregelen die direct ten laste van de exploitatie gebracht worden, dit zijn tijdelijke budgetten. Anderzijds zijn het uitgaven aan maatregelen waarvan de kosten over meerdere jaren verspreid zijn door middel van kapitaallasten (rente en afschrijving), dit zijn investeringsprojecten.


31

Dekking
De huidige werkwijze is dat Provinciale Staten jaarlijks bij het debat over de Kaderbrief en bij de behandeling van de Begroting de integrale afweging maakt van de beschikbare middelen voor enig jaar. Bij deze integrale afweging worden ook de middelen voor FMP beschikbaar gesteld. Mogelijke dekkingsbronnen van waaruit de middelen beschikbaar gesteld worden, zijn het algemeen financieel kader, het kader Verkeer en vervoer (door middel van opcenten) en de Falconmiddelen.

Voor de tijdelijke budgetten stelt Provinciale Staten voor het Begrotingsjaar een bedrag vast. De regels van het kasritme zijn hierop van toepassing. Voor 2009 wordt geput uit de Falconmiddelen en uit het algemeen Financieel Kader.

Bij de inzet van de Falconmiddelen gelden de criteria die Provinciale Staten in maart 2008 hebben vastgesteld. Dit betekent in financiële termen dat, voor het deel van Friese Meren dat onder deze criteria valt, de maximale provinciale bijdrage 1/3 deel van de totale kosten van dat programmadeel is.

(de kapitaallasten van) Investeringsprojecten worden gedekt vanuit het kader Verkeer en vervoer. De voeding van dit kader zijn de opbrengst van de opcenten boven 50,6 punten. De afweging tot wel of geen verhoging van de opcenten vindt plaats bij Kaderbrief en Begroting.

Voorgesteld wordt dat Provinciale Staten ten behoeve van het programma Friese Meren één volume voor tijdelijke budgetten (exploitatievolume) en één budget voor investeringen (investeringsvolume) vaststelt. Onder volume verstaan wij het netto volume, dit is het provinciale aandeel in de totale exploitatiekosten respectievelijk investeringskosten (zoals in de Begroting opgenomen).

Bij de principes van programmamanagement past dat de middelen meerjarig ter beschikking gesteld worden. Hierdoor wordt flexibiliteit binnen de jaren gewaarborgd, met andere woorden men kan meerjarig verplichtingen aangaan, voor zover de financiële dekking is aangegeven en opgenomen in de begroting. Provinciale Staten hebben elk jaar bij de vaststelling van de Begroting de mogelijkheid om de dan reeds beschikbaar gestelde middelen aan te passen. Wij stellen voor dit aspect bij de afweging van de Kaderbrief mee te nemen.

Aanpassen en schuiven binnen doelen en budgetten
Provinciale Staten stelt het Hoofddoel, de Subdoelen, de SMART-doelen (in Begrotingstermen `resultaten') vast. Jaarlijks worden deze doelen in de Begroting gespecificeerd, zodat hierover verantwoording kan worden afgelegd. Het Hoofddoel, de Subdoelen en de SMART-doelen zoals deze in de Begroting opgenomen zijn, kunnen alleen door Provinciale Staten aangepast worden. Gedeputeerde Staten kunnen binnen de gestelde resultaten de maatregelen selecteren en prioriteren en de middelen hiervoor toewijzen.

Volgens de kasritmeregels kan binnen het tijdelijke budget FMP in de tijd geschoven worden.

Ook voor de investeringen geldt dat in de tijd geschoven kan worden met de investeringsuitgaven. Aandachtspunt hierbij is dat rekening gehouden wordt met consequenties voor de kapitaallasten. Ook hier geldt dat de vastgestelde resultaten en middelen die in de Begroting opgenomen zijn, uitgangspunt zijn.


32

Mandatering
Bestaand beleid (Nota Afschrijvingsbeleid van december 2004) is dat Provinciale Staten voor majeure projecten2 afzonderlijk instemming gevraagd wordt. In de praktijk handelt het om projecten waarvan het bruto bedrag groter is dan 10 miljoen. Deze regels gelden ook voor het FMP. Bruto bedrag betekent het totale investeringsbedrag, dus inclusief bijdragen van derden.

Voor de overige projecten heeft Gedeputeerde Staten het voornemen om de mandatering nader te specificeren. Hierbij kan worden gedacht aan een jaarlijks uitvoeringsprogramma dat Gedeputeerde Staten vaststelt. In dit uitvoeringsprogramma staan gespecificeerde maatregelen/projecten die ten grondslag liggen aan het door Provinciale Staten vast te stellen volume. De mogelijkheid tot afwijkingen wordt binnen bepaalde marges gedelegeerd. Uiteraard blijven de door Provinciale Staten vastgestelde volumes en resultaten bepalend.

Planning & Control
Gedeputeerde Staten is als opdrachtnemer verantwoordelijk voor de uitvoering van het Friese Merenproject en legt verantwoording over de uitvoering af aan Provinciale Staten.

Provinciale Staten wordt tweemaal per jaar via de bestuursrapportages geïnformeerd over afwijkingen. In de eindejaarsrapportage (jaarstukken) wordt gerapporteerd over de voortgang en afwijkingen van het programma in het afgelopen jaar.

Driejaarlijks vindt er een tussenbalans plaats die gaat over de effecten. Deze wordt aan Provinciale Staten wordt gepresenteerd. Na beëindiging van het Friese Merenproject wordt door middel van de eindrapportage eindverantwoording afgelegd.

Tot slot
De aspecten die hierboven genoemd zijn, moeten aan de hand van de door Provinciale Staten gevoerde discussie verder uitgewerkt worden. Tegelijk met deze nadere uitwerking wordt hieraan ook een risicoparagraaf toegevoegd.


2 Onder majeure projecten verstaan wij: Grootschalige maatregelen op het terrein van de infrastructuur en de bereikbaarheid. Het betreft projecten die maximaal scoren op een aantal punten zoals frictie met bestaand beleid, bestuurlijke risico's, meerdere beleidsterreinen dan alleen wegen, onderhandelingsinspanningen nodig voor financiën.

Voorbeelden van majeure projecten zijn Haak om Leeuwarden, Centrale As, Noordwesttangent, N381 Drachten ­ Drentse Grens etc.


---

BIJLAGE 1 RAPPORT ECO-EFFECTMETING


34


---- --