Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

logoocw

De voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten Generaal

Postbus 20018

2500 EA Den Haag

Den Haag Ons kenmerk Uw brief van 30 oktober 2008 DK/I&I/2008/52779

Onderwerp
Filmbeleid

Tijdens het Algemeen Overleg over het filmbeleid op 14 november 2007 en het Algemeen Overleg over het cultuurbeleid op 26 juni jl. heb ik toegezegd de Kamer nader te informeren over de stand van zaken op een aantal dossiers in het filmbeleid.

Sectorinstituut voor de film
In 2005 is op basis van meerdere adviezen van de Raad voor Cultuur een proces in gang gezet om de ondersteunende besteltaken in de filmsector onder te brengen in één onafhankelijk sectorinstituut. Hierbij zijn een aantal instellingen betrokken die ondersteunende functies vervullen op het gebied van internationale promotie, filmeducatie, distributie en erfgoed. Het gaat in eerste instantie om een fusie tussen de organisaties Holland Film, het Nederlands Instituut voor Filmeducatie (NIF), de Filmbank en het Nederlands Filmmuseum. Eind 2007 heb Ik een kwartiermaker benoemd, de heer Edwin van Huis, om de ontwikkeling van het sectorinstituut vorm te geven. Op 11 juli jl. heeft hij aan mij gerapporteerd. In zijn rapport stelt de kwartiermaker dat hij op basis van zijn bevindingen gesterkt is in de overtuiging dat er een sectorinstituut moet komen. Hij is er echter niet in geslaagd een bestuurlijke overeenstemming te bereiken tussen de betrokken partijen. Hij doet mij een aantal aanbevelingen om het proces alsnog tot een goed einde te brengen.

Ik heb de afgelopen periode gesprekken gevoerd met de besturen van de vier betrokken instellingen over de voortgang van het proces. In deze gesprekken hebben de instellingen een inhoudelijke reactie op het rapport gegeven, alsook de bereidheid getoond om de ontwikkeling van het sectorinstituut met voortvarendheid ter hand te nemen. Ik heb met de bestuurders afgesproken dat zij op korte termijn met een gezamenlijk plan komen.

In afwachting van het gezamenlijk plan ontvangen Holland Film, het Nederlands Instituut voor Filmeducatie en de Filmbank nog een eenjarige subsidie voor 2009. Het Filmmuseum ontvangt als instelling met een langjarig subsidieperspectief een subsidie voor de periode 2009-2012.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Rijnstraat 50, Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag T +31-70-412 3456 F +31-70-412 3450 W www.minocw.nl

blad 2/2

BTW-convenant
In 1999 is een convenant gesloten tussen het Nederlands Fonds voor de Film, de Nederlandse Federatie voor de Cinematografie (NFC) en de Staat der Nederlanden waarin is vastgelegd dat het voordeel van het verlaagde BTW-tarief (van 6 %) voor de bioscoopbranche toevalt aan de NFC. Als `tegenprestatie' wordt jaarlijks 0,9 miljoen bijgedragen aan het Nederlands Fonds voor de Film, geoormerkt voor filmproductie, marketing en filmeducatie.

Uw Kamer heeft eind vorig jaar een motie van het lid Leerdam aangenomen (motie 25434, nr. 36) waarin de regering wordt verzocht om met de filmbranche in overleg te treden over de compensatie van het BTW-voordeel.
Ik heb uitvoering gegeven aan deze motie. De afgelopen periode hebben gesprekken plaatsgevonden tussen OCW en de betrokken brancheorganisaties, die zijn voortgekomen uit de NFC: de Nederlandse Vereniging van Bioscoopexploitanten (NVB) en de Nederlandse Vereniging van Filmdistributeurs (NVF). De NVB en NVF hebben zich bereid verklaard de bestaande bijdrage van deze organisaties voor de Nederlandse film substantieel te verhogen. Het voornemen is uiterlijk eind januari 2009 een nieuw convenant af te sluiten waarin afspraken worden vastgelegd over de hoogte en aanwending van de bijdrage van de filmbranche.

Met de betrokken branche organisaties ben ik van oordeel dat het uitgangspunt van de extra bijdrage niet zozeer gelegen is in het voordeel van een verlaagd BTW-tarief, maar in het gezamenlijke belang van een sterke filmsector en van een - voor een breed publiek - aantrekkelijke Nederlandse filmproductie.
In dit verband heb ik ook waardering voor de aanzienlijke investeringen die het bioscoopbedrijf en het filmverhuurbedrijf de afgelopen jaren hebben gepleegd in met name de uitbreiding en verbetering van multiplexen en bioscopen en de ondersteuning van Nederlandse films door risicodragende investeringen in marketing, filmkopieën en minimum garanties. De extra bijdrage van de brancheorganisaties moet gezien worden in de brede context van de uitdagingen waarmee de filmbranche wordt geconfronteerd op het gebied van digitalisering en file sharing op internet. Voor het bioscoopbedrijf zijn in de toekomst aanzienlijke investeringen gemoeid met de digitalisering van de filmprojectie. Ten aanzien van file sharing vraagt de filmbranche de aandacht voor de gevolgen van ongeoorloofde digitale distributie van beeldmateriaal. Vanuit het gezamenlijke belang voor een sterke filmsector gaan mij deze dossiers ter harte. Zo wordt op dit moment in opdracht van de ministeries van EZ, OCW en Justitie een onderzoek uitgevoerd naar de economische en culturele gevolgen van file sharing. Dit onderzoek zal binnenkort worden gepresenteerd.

Besteding restant FINE middelen
De fiscale faciliteit ter stimulering van de productie van publieksfilms is beëindigd en vervangen door de Suppletieregeling bij het Nederlands Fonds voor de Film. De Stichting Investeringsfaciliteit voor de Film heeft laten weten dat de liquidatie van de uitvoeringsorganisatie van de fiscale faciliteit, Fine BV, is voltooid. De Stichting zal het restant saldo, begroot op 1,7 miljoen, overmaken naar OCW.

blad 3/3

Uw Kamer heeft mij - bij motie van het lid Leerdam (motie 25434, nr. 37) ­ gevraagd het eventuele positieve liquidatiesaldo te oormerken voor de filmsector. Het kabinet is daartoe bereid. Voor de aanwending van dat saldo heeft mij een voorstel bereikt van de Nederlandse Vereniging van Speelfilmproducenten. Het betreft een verzoek voor een bijdrage aan de startkosten van een op niet- commerciële grondslag te ontwikkelen digitaal platform voor de distributie van Nederlandse films onder de naam Filmotech.nl. Dit platform moet het mogelijk maken dat zowel het historisch beeldmateriaal dat met steun van het project `Beelden voor de Toekomst' wordt ontsloten, als nieuwe films in alle uiteenlopende disciplines aan een breed publiek en aan professionele partijen kunnen worden aangeboden. Filmotech.nl streeft er bovendien naar om hogere royalty's te kunnen bieden aan makers en rechthebbenden dan op dit moment mogelijk is via bestaande exploitatiekanalen. Daarbij wil het platform collectieve rechtenbeheerders aansporen om breed gedragen afspraken te maken over een verdeling van kosten en baten en rechtenbeheer. Met het plan is een bedrag gemoeid van in totaal 2,5 miljoen voor een periode van vijf jaar. Aan OCW wordt een eenmalige bijdrage ter hoogte van 1,7 miljoen gevraagd. Verder zal aan het project worden bijgedragen door het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid ( 435.000) en de Nederlandse Vereniging van Speelfilmproducenten ( 300.000). Ook van andere partijen in de sector ­ met name collectieve rechtenincasso organisaties - worden bijdragen verwacht.

Ik heb waardering voor dit projectvoorstel omdat het initiatief een groot en gevarieerd digitaal filmaanbod schept voor het publiek, onderwijsinstellingen en filmprofessionals en omdat het initiatief een bijdrage kan leveren aan het terugdringen van ongeoorloofde distributie. Bovendien wordt het initiatief breed door het filmveld gedragen. Ik bestem dan ook het resterende saldo van de Stichting Investeringsfaciliteit aan dit voorstel.

Beleidsbrief over documentaire- en animatiefilm
Op 11 juli jl. heb ik een beleidsbrief over de documentaire- en animatiefilm naar de Tweede Kamer verzonden. In deze brief kondig ik aan dat de publieke omroep en het Nederlands Fonds voor de Film hun steun aan de documentaire en animatiefilm willen vergroten. Ik het kader van de subsidieplanperiode voor 2009-2012 vraag ik het fonds binnen het bestaande budget middelen te bestemmen voor de intensiveringen op deze terreinen. In het bijzonder vraag ik het fonds een bedrag van 630.000, - te bestemmen voor de samenwerking met de publieke omroep in het kader van het Teledoc programma.
Ik zal zelf vanuit de mediabegroting 600.000,- aan het Teledoc programma bijdragen.

Het Bureau Berenschot heeft in 2008 een deelonderzoek naar de positie van de Nederlandse animatiefilm uitgevoerd. Berenschot concludeert onder meer dat de schakels in de keten van productie, distributie en afname beter met elkaar kunnen worden verbonden, het publieksbereik van animatieproducties kan worden vergroot en dat nieuwe impulsen kunnen worden gegeven door budgetten te creëren op het raakvlak van animatie met genres als speelfilm en games. In aansluiting op de resultaten van dit rapport ondersteun ik een veelbelovend nieuw initiatief van het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties en het Fonds Beeldende Kunsten,

blad 4/4

Vormgeving en Bouwkunsten om de aansluiting tussen animatiefilmers en de gaming industrie te verbeteren. Ik bestem daarvoor 500.000,-.
Tevens zal ik - mede op verzoek van de Raad voor Cultuur - een aanvullend onderzoek laten uitvoeren, waarbij rekening zal worden gehouden met het commentaar uit de sector op de beleidsbrief en waarbij de aandacht vooral gericht zal zijn op de economische positie van de animatiefilm en de opleidingsfaciliteiten, waaronder de werkplaatsen van het Nederlands Instituut voor Animatiefilm, binnen deze discipline.

Productiehuizen
Tijdens het Algemeen Overleg over het filmbeleid heeft de heer Van der Ham mijn visie gevraagd op het concept van productiehuizen in de filmsector. Bij dit concept gaat het ­ naar analogie van de productiehuizen in bijvoorbeeld de theatersector ­ om relatief grote productiecentra met een goede staat van dienst. Aan deze centra zouden op basis van meerjarige afspraken met het Nederlands Fonds voor de Film middelen ter beschikking kunnen worden gesteld om meerdere projecten tegelijkertijd te ontwikkelen.

Zoals toegezegd, heb ik het Nederlands Fonds voor de Film om advies over dit onderwerp gevraagd. Het fonds heeft mij laten weten dat zij de merites van het concept van meerjarige ondersteuning van productiehuizen onderkennen maar dat dit concept zelfs in Europese landen met een groot productievolume slechts mondjesmaat wordt toegepast. Een meerjarige subsidiëring van productiehuizen vraagt om een gerichte en forse investering, die het budget van het Nederlands Fonds voor de Film te boven gaat.
Het fonds acht het concept in een land met een relatief kleine filmproductie daarom vooralsnog niet levensvatbaar. Het fonds wil de professionalisering en consolidatie van het ondernemerschap in de filmsector bewerkstelligen door een scherpere selectie van producenten die in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Daartoe ontwikkelt het fonds een waarderingssysteem. Het voorstel van het fonds sluit mijns inziens goed aan bij de gedachte achter meerjarige ondersteuning van productiehuizen. Ik wacht een definitief voorstel van het fonds met belangstelling af.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

dr. Ronald H.A. Plasterk