Tuchtrecht | Geen of onvoldoende zorg | ECLI:NL:TGZRZWO:2016:1

ECLI:NL:TGZRZWO:2016:1

Datum uitspraak: 08-01-2016

Datum publicatie: 08-01-2016

Zaaknummer(s): 226/2014

Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg

Beroepsgroep: Arts

Beslissingen: Gegrond, waarschuwing

Inhoudsindicatie: Klacht tegen specialist ouderengeneeskunde gegrond: waarschuwing. In de reeks stappen vanaf het voorschrijven van het geneesmiddel Augmentin tot het starten van de kuur komt het college tot de conclusie dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld door, na de allergiemelding, overleg te voeren met de apotheker; de daarop volgende beslissing van verweerder om in de gegeven omstandigheden ondanks de allergievermelding de kuur te starten is verdedigbaar. Verweerder had, gelet op de gemelde allergie ten aanzien van Augmentin, waar geen nadere informatie over bekend was geworden bij verweerder, patient zelf moeten beoordelen toen melding gemaakt werd van een hoogrode kleur bij patient. In de literatuur is niets bekend over een verband tussen allergische reactie en het optreden van een CVA. Verweerder had zich niet door irritaties mogen laten leiden in het gesprek met de familie van patient.

---------------

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 8 januari 2016 naar aanleiding van de op 25 november 2014 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van

A en B, wonende te C,

k l a g e r s

-tegen-

D, specialist ouderengeneeskunde, werkzaam te E,

bijgestaan door mr. L.R. Kraan, advocaat bij Dommerholt advocaten te Zwolle,

v e r w e e r d e r

1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Dit blijkt uit het volgende:

- het klaagschrift;

- het aanvullende klaagschrift met bijlagen;

- het verweerschrift met de bijlagen;

- de repliek;

- de dupliek met de bijlage;

- het medisch dossier.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 20 november 2015, alwaar zijn verschenen klagers en verweerder. Verweerder werd bijgestaan door zijn advocaat.

2. DE FEITEN

Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klagers vertegenwoordigen de kinderen van F, geboren in 1926 en overleden in

januari 2014 (hierna: patient).

Verweerder werkt als specialist ouderengeneeskunde bij woonzorgcentrum G te E, waaronder locatie H te C, alwaar patient woonde sinds augustus 2013.

Patient was bekend met vasculaire dementie.

Op maandag 13 januari 2014 werd bij patient bloed afgenomen in verband met pijn in rug en schouders en vermoeidheid sinds 9 januari 2014.

Uit het bloedonderzoek bleek een hoge ontstekingswaarde.

Op 16 januari 2014 werd lichamelijk onderzoek verricht. De physician assistent (hierna: PA) heeft, in overleg met verweerder, een recept voor Augmentin uitgeschreven.

De huisapotheek gaf aan de PA door dat met betrekking tot patient een melding bestond van een allergische reactie op penicilline die dateerde van voor 2006.

Naar aanleiding van de melding van de apotheek heeft de PA overleg gevoerd met verweerder. Verweerder heeft overleg gehad met de huisapotheek. Verweerder heeft besloten dat gestart kon worden met Augmentin op voorwaarde dat de verzorging door de PA goed werd geinstrueerd en contact met verweerder diende te worden opgenomen zodra sprake was van bijwerkingen.

De verzorging heeft de familie van patient op de hoogte gebracht van de medicatie. De verzorging noteerde naar aanleiding daarvan, voor zover van belang:

"De allergische reactie van dhr blijkt uit allemaal rode uitslag / alles opgezet. Bijna niet plat kunnen liggen omdat het dan lijkt dat je geen adem meer kunt halen! Dus daar goed op letten! Dit was de vorige keer het geval, volgens de dochter."

Op 17 januari 2014 is verweerder gebeld door de verzorging met melding van een hoge pols en hoogrode kleur. In de decursus arts werd genoteerd, voor zover thans van belang:

"kuur doorzetten, alert zijn op allergieverschijnselen. Vochtlijst bijhouden en in de gaten houden of medicatie gewoon ingenomen kan worden. Morgenvroeg contact opnemen met arts, bij verslechtering eerder contact opnemen."

De verzorging noteerde daarover, voor zover van belang:

"Dhr werd wakker om 8.45 met een hoogrode kleur. Dhr geeft aan moe te zijn.(...) Nadat dhr enige tijd rustig had gezeten controles gedaan bij dhr. Bld 101/71 en een hoge pols 115.(...)

Na het eten weer controles gedaan waarbij pols nog steeds hoog was.(...)

Arts gebeld vanwege hoge pols en de rode kleur i.v.m. allergie voor augmentin. Volgens arts is dat gevolg van een waarschijnlijke longontsteking."

In de rapportage van de verzorging staat over de avond van 17 januari 2014 het navolgende genoteerd, voor zover thans van belang:

"Toen ik vanavond rond 19DEGDEG kwam had dhr een hoogrode kleur op zijn hele gezicht. Fam was ook aanwezig en gaf aan dat dit de allergische reactie was op de kuur en dat zij het niet eens zijn met het toch doorgaan met deze kuur. Contact gehad met I. Aangezien zijn romp (borst, buik en rug) ook rood zag is de kuur per direct gestopt!

Het volgende is nu afgesproken:

* kuur = stop

* dhr start met Rocephin 1000mg, dit is voor 3 dagen, intra musculair

* Dhr moet 2c Loratadine tablet, dit is een anti allergie tablet.

Vanavond om 20DEGDEG heeft dhr 1 tabl gehad en morgenochtend nog 1 geven.

* 2 x dgs controles doen (zie lijst)

At : 38^7; dhr kreeg 2 pcm

fam. was teleurgesteld over het feit dat zij direct aangegeven hebben niet eens te zijn met het beleid maar hier geen gehoor aan is gegeven!"

Op 18 januari 2014 noteerde de verzorging dat de rode kleur en uitslag op het lichaam van patient afnam.

Genoteerd werd naar aanleiding van telefonisch contact van verweerder met de verzorging dat het beleid werd voortgezet. Er diende een vochtlijst bijgehouden te worden en tweemaal daags controles te worden verricht. Op maandag 20 januari 2014 werd afgesproken telefonisch het beleid te evalueren. Verweerder zou contact opnemen met de familie over hetgeen was gebeurd op de avond van 17 januari 2014.

Op 19 januari 2014 noteerde de verzorging dat patient hier en daar nog erg vlekkerig was en verward overkwam.

Op 20 januari 2014 is een verpleegkundig specialist bij patient geweest. Patient voelde zich niet fit. De rash (rode uitslag van de huid) was alleen te zien aan voeten en enkels. In overleg met verweerder werd de kuur Rocephin verlengd met drie dagen. Een evaluatie werd voor vrijdag 24 januari 2014 afgesproken.

Op 21 januari 2014 werd door de verzorging opgetekend, voor zover van belang:

"Dhr was vanmorgen +- 10.30 uur niet goed aanspreekbaar. Had een dwangstand van de ogen naar rechts en een scheve mond. Linker arm en been waren slap. Dhr had een stokkende ademhaling (cheyne stocks).

Zie decursus arts:

- Komende uren afwachten welke kant het op gaat.

- 23/1 [naam verweerder, RTC] heeft afspraak met familie. (Op Dhr [achternaam klager, RTC] zijn kamer) om 8.30 uur.

- Medicatie is stop tot nader bericht.

- Rocephin injectie en fentanylpleister gaan wel door!

- Vandaag drinken stop, morgen proberen hoe het slikreflex is.

- 2x daags tempen

-.

Dhr reageerde vanmiddag even op familie, door te zeggen "het gaat zo'n gangetje"

Dhr. slaat de ogen telkens wel op.

Dhr. ligt rustig, trekt soms met r.been.

Hakken werden vrij gelegd.

Dhr. hoest [stukje onleesbaar, RTC] hoest geregeld."

In de decursus arts werd op 21 januari 2014 genoteerd:

"In loop v/d ochtend plots minder, verminderd aanspreekbaar, halfzijdig verlamd, dwangstand ogen.

Bij aankomst dwangstand ogen naar re, hemibeeld li, vcr-^/-^.

arm > been

afhangendemondhoek li.

C/ ICVA re

B/ i.o.m. familie: (1^e zn)

- komende uren afwachten welke kant het op gaat

- 23/1 8.30 uur situatie opnieuw beoordelen dan besluite wel/ geen SV.

- geen meerwaarde z'huis opname

- medicatie +[onleesbaar,RTC] stop, behalve Rocephin, die wel doorgeven + Fentanyl

- dagelijks slikfunctie beoordelen

- dagcurve niet nodig

- 2 dd temp."

Op 22 januari 2014 heeft een collega van verweerder in de decursus arts opgetekend:

"Vandaag niet gegeten niet gedronken. Erg suf

Familie is erg bezorgd en bang dat hij uitdroogt

In eerste instantie verwezen naar familiegesprek morgen.

Fam. niet accoord en hebben hun beklach gedaan bij de LM.

na overleg met hen infuus ingebracht.

16.45 uur Na Cl 0,9% li/dag = 21 clr/min

63 ml / uur

NB klinisch niet gedehydreerd.

- Heeft vandaag medicatie niet gehad. - overslaan

(Kan, zijn geen anti epileptica bij)

O/Verlaagd bewustzijn

reageert op aanspreken met draaien hoofd

doet ogen niet op

Cheyne Stokes ademhaling

Uitval verschijnselen li arm>been.

Trekt bij `VZR' li been op iets op"

Op 23 januari 2014 had verweerder een gesprek met de familie van patient. Verweerder tekende het navolgende op:

"Met fam gesproken Waren gisteren bezorgd over uitdroging. Durfden het niet aan om te wachten tot vanochtend. Nogmaals uitleg gegeven over waarom je zo'n beslissing weloverwogen moet doen.

Relatie eindfase dementie en moeilijkheid van kunstmatig vocht.

Fam. geeft aan dat zoon nog uit China moet komen en hij het heel moeilijk vond om niets te doen.

Begrip daarover geuit.

Nog gewezen op belang v. voeding voor herstel, komt ooit evaluatiemoment. Morgen opnieuw evaluatie met zoon uit china erbij."

In dit gesprek heeft verweerder in reactie op een opmerking van klagers, dat zij hadden begrepen dat na 24 uur een familiegesprek zou plaatsvinden, gezegd: "Ik weet niet of u deskundig bent, maar ik ben arts." Verweerder heeft daarvoor later zijn excuses aangeboden tijdens de hoorzitting bij de klachtencommissie op 11 april 2014.

Op 24 januari 2014 tekende verweerder het navolgende op:

"Gaat verder achteruit

Subjectieve temp. hoest slecht op, is ziek.

kracht wel wat teruggekomen.

Met fam. besproken:

kans op herstel minimaal

fam ziet dit in. Is accoord palliatieve zorg:

- infuus stop

- morfine bij pijn / benauwdheid

6dd 20(?) mg sc zn

- pcm supp 1 g 4 dd 1

- CAD geven ch 12 ballon 5**

- overige medicatie, behalve Fentanyl, stop."

Op 24 januari 2014 bleek dat het inbrengen van de katheter niet ging en is overleg met verweerder gevoerd. Afgesproken werd dat de katheter eruit moest, goed geobserveerd diende te worden met betrekking tot de urineproductie en bij onrust bladderen. De familie werd op de hoogte gebracht.

Op 27 januari 2014 werd in de decursus genoteerd:

"AH lijkt meer rochelend en

sneller P: 100/min, Cheyne-stoke

+-2/min. Hr ligt comfortabel op de zij.

B. morfine 5mg/m6

standaard 6 daags

- obs + rapp. Dyspneu, pijn."

En later die dag:

"Dhr is rustig overleden

in nabijheid familie,

geschouwd, papieren ingevuld,

natuurlijk dood.

cachexie na CVA, dementie"

Klagers hebben de Inspectie voor de Gezondheidszorg geinformeerd over de verleende zorg aan patient. De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft, na onderzoek en rapportage, aandacht gevraagd voor de volgende punten, voor zover voor beoordeling van de klacht van belang:

"- In een telefoongesprek tussen ondergetekende met uw arts [verweerder, RTC] is (op 6 oktober 2014) de onderlinge communicatie tussen de artsen en de verzorgenden nogmaals ter tafel gekomen, met name het doorvragen van artsen als zij niet of onvoldoende informatie verstrekt krijgen om een (juiste) diagnose te kunnen stellen;"

Klagers hebben een klacht ingediend bij de Klachtencommissie van woonzorgcentrum G, bestaande uit negen klachtonderdelen. De klacht is deels gegrond verklaard. Een afschrift van de uitspraak maakt deel uit van het procesdossier.

3. HET STANDPUNT VAN KLAGERS EN DE KLACHT

Klagers verwijten verweerder -zakelijk weergegeven-:

1. het voorschrijven van penicilline aan patient waarvan bekend was dat dit middel een allergische reactie kon veroorzaken bij patient;

2. het niet tijdig stoppen van deze medicatie zodat het ernstig lichamelijk letsel, en zelfs de dood, tot gevolg heeft gehad;

3. het aanvankelijk ontkennen van de gemaakte fout bij de eerste melding van een allergische reactie van patient op het voorgeschreven middel;

4. het niet adequaat optreden en handelen nadat patient een beroerte heeft gehad;

5. de onprofessionele houding van verweerder op sommige momenten, met name in het familiegesprek op 23 januari 2014;

6. het niet voldoende regelen van vervanging door verweerder tijdens zijn afwezigheid;

7. dat er in de periode van 16 januari tot 20 januari geen arts patient heeft bezocht.

4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hij met zijn handelen binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Patient is in januari 2014 overleden aan de gevolgen van een CVA bij een gevorderde vasculaire dementie. Verweerder voert aan dat medisch gezien de keuze voor de medicatie Augmentin verdedigbaar is en geen causaal verband bestaat tussen de voorgeschreven medicatie en het overlijden van patient. Voor zover nodig zal in de overwegingen verder ingegaan worden op het verweer.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel overweegt het college als volgt.

Verweerder heeft na onderzoek van patient, bij wie een vermoeden van een luchtweginfectie ontstond, Augmentin, met de werkzame stof amoxicilline, aan patient voorgeschreven, hetgeen voor hem het middel van eerste keus was. Op het moment dat de apotheek een melding van allergie ten aanzien van dit middel betreffende patient meldde heeft de PA contact opgenomen met verweerder. Verweerder heeft correct gehandeld door contact op te nemen met de apotheek om nadere informatie te verkrijgen ten aanzien van de allergie. Nadat de apotheek aangaf dat nadere informatie niet aanwezig was heeft verweerder besloten de kuur Augmentin te starten. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij hierbij een afweging heeft gemaakt. Hij heeft, gelet op de gecontroleerde setting waar patient verbleef, waar 24 uur per dag controle van patient plaatsvond en 24 uur per dag zorg werd geboden, en de ervaring van verweerder dat frequent een allergie vermeld staat, waar sprake is van bijwerkingen van medicatie, besloten dat gestart kon worden met de Augmentin. Verweerder heeft de PA meegedeeld dat de verzorging van patient goed geinstrueerd diende te worden. In de reeks stappen vanaf het voorschrijven van het geneesmiddel Augmentin tot het starten van de kuur komt het college tot de conclusie dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld door, na de allergiemelding, overleg te voeren met de apotheker; de daarop volgende beslissing van verweerder om in de gegeven omstandigheden ondanks de allergievermelding de kuur te starten is verdedigbaar. Het college merkt wel op dat niet duidelijk is geworden waarom verweerder niet een ander antibioticum heeft gekozen nadat de allergiemelding hem bekend werd. Hoewel overleg met de familie, zoals achteraf is gebleken, in dit geval meer inzicht in de achtergronden van de allergie van patient zou hebben gegeven leidt het achterwege laten daarvan niet tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt. Daarbij komt dat verweerder zelf, zoals uit de stukken is gebleken, op het moment van voorschrijven en starten met de kuur, ook niet op de hoogte was gesteld van de mate van allergie bij patient voor dit middel.

Het college kan verweerder volgen in zijn keuze gelet op de omstandigheden waarin patient verkeerde, met name omdat sprake was van een gecontroleerde setting. De medicatie kon alsnog voorgeschreven worden en gestart, waarbij de verzorging goed geinstrueerd was en frequente controles van patient plaatsvonden. Verweerder is hiermee, naar het oordeel van het college, binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven.

5.3

Het college ziet aanleiding om het tweede en zevende klachtonderdeel gezamenlijk te bespreken.

Verweerder werd daags na het starten van de kuur Augmentin door de verzorging geinformeerd omtrent een hoogrode kleur bij patient en een hoge pols. Verweerders stelling dat deze symptomen konden passen bij de luchtweginfectie en daarom een bezoek aan patient niet noodzakelijk was deelt het college niet. Verweerder had, gelet op de gemelde allergie ten aanzien van Augmentin, waar geen nadere informatie over bekend was geworden bij verweerder, patient zelf moeten beoordelen. Verweerder had, ook in het weekend, naar patient moeten gaan om te bezien of sprake was van een allergische reactie op de voorgeschreven medicatie of sprake van symptomen van de luchtweginfectie. Verweerder had patient zelf moeten beoordelen om te bezien of de medicatie diende te worden gestopt. Niet gebleken is dat verweerder de verzorging nader uitgevraagd heeft omtrent de hoogrode kleur bij patient. Gelet op de ontstane hoogrode kleur en de hoge pols, zoals dat uit het medisch dossier blijkt, was op dat moment, dus vrijdagmorgen 17 januari 2014, reden ontstaan om te stoppen met de Augmentin. Verweerder heeft zichzelf de kans ontnomen de Augmentin tijdig te stoppen door patient niet te bezoeken naar aanleiding van de melding van de verzorging terwijl daarvoor wel een medische noodzaak bestond.

Van een causaal verband tussen het toedienen van de Augmentin en de later optredende beroerte en het overlijden van patient is niet gebleken. In de literatuur is niets bekend over een verband tussen allergische reactie en het optreden van een CVA. Daarbij was patient al herstellende van de allergische reactie op de medicatie toen de beroerte plaatsvond.

De klachtonderdelen twee en zeven zijn gegrond.

5.4

Ten aanzien van het derde klachtonderdeel, betreffende een gesprek van klagers met verweerder op 21 januari 2014 waarbij verweerder tijdens het gesprek zou hebben aangegeven dat hij de hoogrode kleur niet als rash had opgevat, overweegt het college als volgt.

Klagers hebben kunnen lezen dat verweerder ofwel ontkent dat hij het (zo) heeft gezegd zoals klagers stellen, ofwel een andere lezing of interpretatie geeft aan hetgeen hij aan klagers heeft gezegd dan klagers daaruit hebben opgemaakt. Nu alleen klagers en verweerder aan die gesprekken hebben deelgenomen, is niet vast te stellen hoe die gesprekken precies zijn verlopen. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Dit berust er niet op dat aan het woord van klagers minder waarde wordt gehecht dan aan dat van verweerder, maar op het uitgangspunt dat het handelen dat door een klager ter toetsing aan het college wordt voorgelegd eerst met voldoende mate van zekerheid moet kunnen worden vastgesteld, alvorens kan worden beoordeeld of dit al dan niet tuchtrechtelijk door de beugel kan.

5.5

Ten aanzien van het vierde klacht onderdeel overweegt het college als volgt.

Verweerder is ongeveer twee uur na de melding van de verzorging dat patient een beroerte had gehad aangekomen bij patient. De gezondheidssituatie van patient was zodanig dat na het CVA afgewacht moest worden hoe de situatie van patient zich zou ontwikkelen. Een eerder bezoek van verweerder zou niet tot verandering in beleid hebben geleid en evenmin zou de gezondheidssituatie van patient daardoor zijn veranderd. Met het bezoek van verweerder ongeveer twee uren na de melding is verweerder binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening gebleven.

Het door verweerder uitgezette beleid naar aanleiding van het CVA is gebruikelijk en zorgvuldig te noemen. Verweerder heeft aangegeven in het gesprek met de familie dat sprake was van een groot CVA en de kans op herstel gering was. Gelet op het voorgaande was een afwachtend beleid om een of twee dagen aan te kijken hoe het herstel van patient verliep gerechtvaardigd. Patient was niet uitgedroogd en op

23 januari 2014 om half negen in de ochtend zou met de familie besproken worden of vocht en voeding diende te worden toegediend. Bovendien was de vervangend arts, bij verweerders afwezigheid, geinformeerd. Met de vervangend arts is ook contact geweest, die overigens het voorgestelde beleid niet wilde doorkruisen. Het is voorstelbaar dat klagers na het gesprek met verweerder alsnog bezorgd werden over de gezondheidssituatie van hun vader nu in de visie van klagers pas een dag later het beleid zou worden geevalueerd. Dat de locatiemanager op verzoek van de familie alsnog heeft verzocht aan de vervangend arts om een vochtinfuus aan te leggen kan niet leiden tot de conclusie dat het door verweerder uitgezette beleid onjuist was. Zoals hiervoor is overwogen kan het beleid van verweerder de tuchtrechtelijke toets doorstaan.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.6

Ten aanzien van het vijfde klachtonderdeel overweegt het college het volgende. Het college is met klagers en verweerder van oordeel dat de opmerking van verweerder `ik weet niet of u deskundig bent, maar ik ben arts', niet professioneel was. Verweerder had zich niet door de in het gesprek met de familie ontstane irritatie mogen laten leiden. Verweerders opmerking getuigt niet van empathie naar klagers en de ontstane gezondheidssituatie van hun vader op dat moment. Van hem had verwacht kunnen worden dat hij begrip had voor de onzekerheid bij klagers over de situatie van hun vader en oog moeten hebben voor de hiermee gepaard gaande emoties. Een dergelijke uitspraak is hierbij niet gepast. Dit klachtonderdeel is gegrond.

5.7

Ten aanzien van het zesde klachtonderdeel overweegt het college dat de vervanging van verweerder, tijdens diens afwezigheid, correct was geregeld. Arts I was ter vervanging van verweerder aanwezig binnen het woonzorgcentrum G en met hem is ook contact geweest. De vervangende arts heeft patient ook bezocht. Dit klachtonderdeel is dan ook niet terecht voorgesteld en ongegrond.

5.8

Het college is van oordeel dat ten aanzien van de klachtonderdelen die gegrond zijn, klachtonderdelen twee, vijf en zeven, een maatregel aan verweerder dient te worden opgelegd. Verweerder is nadat hij werd geinformeerd over de ontstane rode kleur bij patient niet naar hem toegegaan gegaan en er was op dat moment wel aanleiding om te stoppen met het toedienen van de Augmentin. Daarnaast heeft verweerder zich in het contact met de familie laten leiden door irritatie en de familie met zijn opmerking onheus bejegend. Verweerder heeft overigens toen hij van de familie van patient begreep dat nog een van de kinderen onderweg was naar patient vanuit China, wel begrip getoond voor het standpunt van de familie omtrent het toedienen van vocht aan patient. Verweerder heeft nagedacht over de beslissingen die hij nam in het voorschrijven van het antibioticum en het starten van de kuur met wetenschap van de allergiemelding; hij heeft echter daarna een verkeerde afweging gemaakt door patient niet te bezoeken toen zich symptomen aandienden die in de richting van een allergische reactie konden wijzen. Gelet op het voorgaande, is naar het oordeel van het college een waarschuwing passend en geboden.

6. DE BESLISSING

Het college waarschuwt verweerder.

Aldus gedaan door mr. F. van der Maden, voorzitter, mr. E.W.M. Meulemans, lid-jurist, M.J.T. Tijkotte, M.D. Klein Leugemors en J.M. Komen, leden-artsen, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Sijnstra-Meijer, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2016 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

voorzitter

secretaris

Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:

a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;

b. degene over wie is geklaagd;

c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.

Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.