Tuchtrecht | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose | ECLI:NL:TGZCTG:2016:28

ECLI:NL:TGZCTG:2016:28

Datum uitspraak: 12-01-2016

Datum publicatie: 15-01-2016

Zaaknummer(s): c2014.506

Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose

Beroepsgroep: Arts

Beslissingen:

Inhoudsindicatie: Het RTG heeft de huisarts in de bestreden beslissing de maatregel waarschuwing opgelegd. Ingevolge artikel 73 aanhef en onder a Wet BIG is klager niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen deze beslissing.

------------

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2014.506 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

C., huisarts, werkzaam te B., verweerster in beide instanties,

gemachtigde: mr. L. Beij te Utrecht.

1. Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 30 juli 2013 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen C. - hierna de huisarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 9 december 2014, onder nummer 2013-170b heeft dat College de huisarts de maatregel van waarschuwing opgelegd.

Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken C2014.503, C2014.507 en C2014.508 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 10 december 2015, waar zijn verschenen klager en de huisarts, de huisarts bijgestaan door haar gemachtigde.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

"2. De feiten

2.1 Klager, geboren op 16 april 1961, is vanaf 14 juni 2012 tot december 2013 patient in de duopraktijk van verweerster en een andere huisarts te B. geweest.

2.2 Klager is onder meer bekend met cardiale klachten in verband waarmee na een myocardinfarct eind september 2011 een stent is geplaatst. Vanaf dat moment kreeg klager o.m. de combinatie van Ascal en Grepid (clopidogrel) voorgeschreven. Nadien heeft hij diverse malen de huisarts(enpost) en de afdelingen Spoedeisende Hulp en Cardiologie van het D.-ziekenhuis, locatie E. te B. (hierna: D.), bezocht met klachten van pijn op de borst.

2.3 Op 16 oktober 2012 heeft verweerster, naar aanleiding van een bezoek op 4 oktober van klager aan de SEH van het D., een brief ontvangen van een cardioloog van het D. waarin naast een bloedverdunner (Ascal) ook het medicijn Grepid stond vermeld. Voorts stond in de brief vermeld:

"... thuismedicatie door..."

2.4 Op 26 oktober 2012 heeft verweerster een brief ontvangen van een cardioloog van het D. (gedateerd 25 oktober 2012). Daarin stond dat de medicatie ongewijzigd kon worden voortgezet. Grepid stond in deze brief niet vermeld. De aantekeningen in het huisartsendossier maken geen melding van medicatie.

2.5 Op 12 maart 2013 heeft verweerster opnieuw een brief ontvangen van een cardioloog van het D., naar aanleiding van een bezoek van klager aan de SEH, waarin bij de huidige medicatie zowel Ascal als Grepid stonden vermeld, en "Thuismedicatie door".

2.6 In de medicatielijst is opgenomen dat klager van (de praktijk van) verweerster vier maal een herhaalrecept voor zowel Ascal als Grepid heeft ontvangen, nl. op

20 november 2012, 14 januari 2013, 4 februari 2013 en 15 mei 2013.

2.7 Medio 2013 heeft klager op zijn vakantie adres in F. een huisarts bezocht in verband met een aantal klachten. Deze huisarts heeft naar aanleiding van de medicatie lijst van klager waarop de combinatie van Ascal en Grepid nog vermeld stond contact opgenomen met de praktijk van verweerster. Wegens haar afwezigheid door vakantie heeft de waarnemende huisarts van verweerster hierop actie ondernomen. Deze waarnemende huisarts heeft contact opgenomen met de afdeling cardiologie van het D.. Uit dat contact volgde de mededeling van de waarnemende huisarts aan klager om terstond de inname van het medicijn Grepid te staken.

3. De klacht

Klager verwijt verweerster - samengevat - dat zij:

onzorgvuldig heeft gehandeld door hem langer dan een half jaar, en in ieder geval langer dan de maximale periode van een jaar na zijn hartinfarct in september 2011, steeds herhaalrecepten voor de combinatie van de medicijnen Ascal en Grepid voor te schrijven. Volgens klager heeft verweerster hem daarmee langdurig in een risicovolle situatie gebracht, aangezien het gebruik van Grepid langer dan maximaal een jaar na een hartinfarct de kans op bloedingen verhoogt. Klager verwijt verweerster dat naar aanleiding van een brief van de afdeling Cardiologie van het D., ontvangen op 26 oktober 2012 geen contact heeft opgenomen met de cardioloog, zodat klager tegen het advies van de cardioloog van het D. in nog langer Grepid heeft voorgeschreven.

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.

Samengevat heeft verweerster aangevoerd dat zij mocht vertrouwen op de brief van de cardioloog van 4 oktober 2012 waarin geen wijziging van het medicatiebeleid was aangegeven. Ten aanzien van de brief van 25 oktober 2012 van de cardioloog (door verweerster ontvangen op 26 oktober 2012) merkt verweerster op dat zij destijds niet heeft opgemerkt dat in die brief het medicijn Grepid niet meer was vermeld. Met de kennis van nu had verweerster, naar eigen zeggen, er beter aan gedaan om naar aanleiding van deze brief contact op te nemen met de afdeling cardiologie van het D.. Ten aanzien van de door haar praktijk gefiatteerde herhaalrecepten kan zij uit haar systeem niet achterhalen welke herhaalrecepten door haarzelf zijn gefiatteerd. Mogelijk zijn ook herhaalrecepten gefiatteerd door haar collega.

Verweerster betreurt de gang van zaken en heeft inmiddels binnen haar praktijk maatregelen getroffen voor extra alertheid bij het voorschrijven van de combinatie van de medicijnen Ascal en Grepid. Verweerster heeft in zijn algemeenheid aangegeven dat zij bekend is met het feit dat het medicijn Grepid in beginsel niet langer dan een jaar na een hartinfarct voorgeschreven wordt.

5. De beoordeling

5.1 Niet in geschil is dat klager vier maal een herhaalrecept voor Grepid heeft ontvangen, nl. op 20 november 2012, 14 januari 2013, 4 februari 2013 en 15 mei 2013. In de medicatielijst staat als voorschrijvend arts de afkorting C. Niet is betwist dat met de laatste twee letters, verweerster is aangeduid. Verweerster heeft een aantal van deze herhaalrecepten in ieder geval zelf gefiatteerd.

Het College is van oordeel dat verweerster - in de tegenstrijdige informatie in het medisch dossier van klager - te weten de brief van de afdeling cardiologie van het D. van 16 oktober 2012, waarin het medicijn Grepid als medicatie stond vermeld met de toevoeging "..thuis medicatie door.", de brief van 25 oktober 2012 van dezelfde afdeling waarin Grepid als medicatie niet meer was vermeld, en de brief van de cardioloog van 12 maaart 2013, waarin beide middelen weer naast elkaar werden genoemd, in ieder geval aanleiding had moeten zien om contact op te nemen met de cardioloog om zich te vergewissen van de noodzaak tot het verder voorschrijven van dit medicijn. Verweerster heeft als huisarts een signaleerfunctie en is zelf verantwoordelijk voor het voorschrijven van een herhaalrecept, ook al heeft een andere arts dit geneesmiddel primair voorgeschreven. Daar doet niet aan af dat onweersproken is gebleven dat verweerster pas veel later, na de ingediende klacht, het ontslagbericht van de cardioloog uit het G.-ziekenhuis van 13 oktober 2011 (waar klager destijds behandeld was voor zijn hartinfarct) onder ogen heeft gekregen waarin stond vermeld dat het gebruik van Plavix (daaronder is ook te verstaan Grepid, want beide clopidogrel) voor 1 jaar gold. Evenmin doet aan de verantwoordelijkheid van verweerster in deze af dat verweerster destijds niet de huisarts van klager was en het medisch dossier dat zij van de vorige huisarts ontving niet alle informatie bevatte.

Het voorschrijven van een herhaalrecept voor een medicatie, waarvan de indicatie is bepaald door een medisch specialist, dient herleid te worden tot een actuele indicatie en noodzaak van het verder voorschrijven van die medicatie door de betreffende specialist. In de onderhavige zaak is door verweerster afgeweken van de NHG-Standaard Acuut coronair syndroom, waarin expliciet staat:

"(...)een P2Y12-remmer, zoals clopidogrel 1 maal daags 75 mg (...) gedurende 12 maanden na het ACS), en Twaalf maanden na het ACS kan de P2Y12-remmer in de regel worden gestopt. De huisarts, apotheker en cardioloog dienen hierover duidelijke afspraken te maken."

Ter zitting heeft verweerster desgevraagd overigens niet kunnen aangeven waarom dit middel zowel op 14 januari 2013, als op 4 februari 2013 aan klager door haar praktijk is voorgeschreven. Dit duidt op een niet nauwkeurig beleid ten aanzien van het uitschrijven van herhaalrecepten en een onvoldoende zorgvuldig controlesysteem bij het fiatteren hiervan.

5.2 De conclusie is dat verweerster in strijd heeft gehandeld met de zorg die zij ten opzichte van klager behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De klacht is dan ook gegrond.

5.3 Het College merkt de handelwijze van verweerster aan als een technische fout. Weliswaar heeft verweerster aangegeven dat zij inmiddels maatregelen heeft getroffen om extra alert te zijn op het voorschrijven van de combinatie medicatie Ascal en Grepid, maar uit het voorgaande complex van feiten volgt dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het College acht de volgende maatregel passend en geboden."

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4. Beoordeling van het hoger beroep

Het Centraal Tuchtcollege overweegt als volgt. Aan de huisarts is in de in beroep bestreden beslissing de maatregel van waarschuwing opgelegd. Op grond van artikel 73 lid 1 aanhef en onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (verder: Wet BIG) kan door de klager binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift van die beslissing hoger beroep worden ingesteld, voor zover daarbij zijn klacht is afgewezen of voor zover hij niet-ontvankelijk is verklaard.

Nu geen van deze omstandigheden zich voordoet, dient het Centraal Tuchtcollege, met inachtneming van het in artikel 73 lid 4 Wet BIG bepaalde, klager in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter,

mr. G.P.M. van den Dungen en mr. L.F. Gerretsen-Visser, leden-juristen en

dr. A.A. de Rotte en drs. M.G.M. Smid-Oostendorp, leden-beroepsgenoten en

mr. M. van Esveld, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 januari 2016.

Voorzitter w.g. Secretaris w.g.