Tuchtrecht | Geen of onvoldoende zorg | ECLI:NL:TGZCTG:2016:134

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2016:134

Datum uitspraak: 22-03-2016

Datum publicatie: 23-03-2016

Zaaknummer(s): c2015.223

Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg

Beroepsgroep: Arts

Beslissingen:

Inhoudsindicatie: De patient is op 10 april 2013 in verband met een blaascarcinoom met ingroei in de prostaat geopereerd door de uroloog. Na deze operatie heeft de patient op de IC gelegen. Het verblijf van de patient op de IC is zeer gecompliceerd geweest. Op 28 mei 2013 is de patient overgedragen aan de afdeling geriatrie, waarna de patient voor verdere revalidatie is overgeplaatst naar het verpleeghuis. Op 3 juli 2013 is de patient via de spoedeisende hulp opgenomen op de Medium Care wegens een recidief pneumonie. Van 4 juli 2013 tot 26 juli 2013 is de patient, onder meer door de internist, verder behandeld op de interne afdeling van het Kennemer Gasthuis. Klager verwijt de internist in hoger beroep dat hij dat heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die hij jegens de patient behoorde te betrachten omdat hij:3. geen nader onderzoek heeft gedaan om de oorzaak van de klachten te achterhalen;4. patient in zijn slechte conditie heeft ontslagen, zonder verdere controles en5. niet onderzocht heeft en niet heeft vastgesteld dat er uitzaaiingen waren van de blaaskanker.Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2015.223 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

tegen

M., internist, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. L Beij, juriste bij de stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

1. Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 29 april 2014 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen M. - hierna de internist - een klacht ingediend. Bij beslissing van 27 februari 2015, onder nummer 14/159 heeft dat College de klacht in al haar onderdelen afgewezen. Klager is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De internist heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken onder zaaknummers C2015.220, C2015.221 en C2015.222 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 18 februari 2016, waar klager is verschenen. Namens de internist is verschenen mr. L. Beij voornoemd.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

"(...) 2. De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1 De klacht betreft de behandeling van D., geboren op 8 februari 1934 en overleden op 19 september 2013 (verder `patient').

2.2 Verweerder was van 4 tot 16 juli 2013 als supervisor betrokken bij de behandeling van patient op de interne afdeling van het E. te B..

2.3 In 1997 is bij patient een blaascarcinoom geconstateerd en in de periode 2009 tot en met 2011 heeft patient diverse urologische ingrepen ondergaan.

2.4 Op 27 februari 2013 is nogmaals een transurethrale resectie gedaan, en is geconcludeerd tot een T4aG3 slecht gedifferentieerd blaascarcinoom met ingroei in de prostaat. Uitzaaiingen zijn toen niet gezien.

2.5 Op 10 april 2013 heeft de uroloog een nieuwe urineblaas aangelegd. Deze operatie is behoudens fors bloedverlies zonder verdere bijzonderheden verlopen.

2.6 Het verblijf op de IC na de operatie is zeer gecompliceerd geweest, door onder meer ademhalingsproblematiek door een pneumonie, een delier, nierinsufficientie, een moeilijk te behandelen bacteriele infectie, en een korte periode van urinelekkage.

2.7 Op 28 mei 2013 is patient op advies van de intensivisten overgedragen aan de afdeling geriatrie, gezien alle bijkomende problematiek.

2.8 Omdat het klinisch beeld niet verder verbeterde, is patient voor verdere revalidatie overgeplaatst naar verpleeghuis F. op 21 juni 2013.

2.9 Van 3 juli 2013 is patient via de spoedeisende hulp opgenomen op de Medium Care wegens een recidief pneumonie. Van 4 tot 16 juli 2013 werd hij verder behandeld, onder meer door verweerder, op de afdeling interne van het E..

2.10 Hierna heeft de familie besloten patient thuis te verzorgen met behulp van thuiszorg.

2.11 Van 5 tot 12 augustus 2013 werd patient wederom met een recidief pneumonie opgenomen op de interne afdeling van het E..

2.12 Wegens toenemende pijn in benen en bekken, is patient op 28 augustus 2013 gezien op de afdeling geriatrie, waar hij vanwege zijn slechte gezondheidstoestand is opgenomen.

2.13 Op 6 september 2013 is patient op verzoek van de familie overgeplaatst naar het G. in H., waar een CT-scan gemaakt is van het bekken, waarop metastasen van de blaaskanker werden aangetoond.

2.14 Op 19 september 2013 is patient overleden.

3. De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die hij jegens patient behoorde te betrachten omdat hij:

1. de medische klachten van patient niet serieus heeft genomen;

2. niet in staat was de juiste diagnose te stellen;

3. geen nader onderzoek heeft gedaan om de oorzaak van de klachten te achterhalen;

4. patient in zijn slechte conditie heeft ontslagen, zonder verdere controles;

5. niet onderzocht heeft en niet heeft vastgesteld dat er uitzaaiingen waren van de blaaskanker.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De overwegingen van het college

5.1 Ter toetsing staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen ten opzichte van patient buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Het gaat in het tuchtrecht om persoonlijke verwijtbaarheid, ergo om het handelen van verweerder als superviserend internist gedurende de opname van 4 tot 16 juli 2013 op de afdeling Interne.

Ten aanzien van de klachtonderdelen 1, 2, en 3 gezamenlijk overweegt het college als volgt:

5.2 Gezien de status en gelezen het verweer, is het college van oordeel dat de klachten van patient door verweerder serieus genomen zijn in de periode waarin hij als supervisor bij de behandeling betrokken was.

Uit het verweer en de status komt een zorgvuldig en adequaat handelen naar voren. De taalbarriere maakte communicatie met patient moeilijk. Door de arts-assistent van verweerder is dan ook zeer regelmatig met de familie gesproken, zoals opgetekend in de status.

De voorgeschiedenis en het blaascarcinoom waren bekend bij opname. Uit de status en het verweer blijkt niet dat sprake was van pijn in het bekken, als gevolg van deze voorgeschiedenis. Evenmin is dit expliciet naar voren gekomen in de gesprekken met de familie, of uit onderzoek van de mee behandelend fysiotherapeut. Daarmee was, op basis van deze beschikbare gegevens, verder onderzoek naar en behandeling van pijn in het bekken niet aan de orde.

Deze klachtonderdelen zijn naar het oordeel van het college dan ook ongegrond.

Ten aanzien van de klachtonderdelen 4 en 5 overweegt het college als volgt:

5.4 De arts-assistent heeft, zoals opgetekend in de status en in het verweer, uitgebreid met de familie besproken over het ontslag, dat op verzoek van de familie niet naar het verpleeghuis, maar naar huis zou zijn. Patient zou ontslagen kunnen worden zodra de pneumonie behandeld was, en patient voldoende was opgeknapt. Gezien het feit dat patient volledig ADL afhankelijk was, een voedingssonde had vanwege de slikproblemen, en deze problematiek zeer zorgvuldige zorg van familie en thuiszorg zou vereisen, had het de voorkeur van verweerder patient in een verpleeghuissetting te laten verzorgen. De uitdrukkelijke wens van de familie is echter gerespecteerd. Extra thuiszorg is ingezet, en een aanvraag voor fysiotherapie, gestart in het ziekenhuis om patient zoveel als mogelijk was te mobiliseren, is meegegeven. Besproken is ook dat de huisarts de cooerdinatie op zich zou nemen en is vanuit het ziekenhuis wel een afspraak gemaakt in het G. voor onderzoek en evaluatie van de slikproblematiek.

Het college is van oordeel dat uit het hiervoor overwogene een zorgvuldig handelen spreekt, waarbij middels de overdracht aan de huisarts en de afspraak bij het G. zeker een vinger aan de pols gehouden werd. Ook is er een vervolgsafspraak gemaakt bij de longarts van het E., om de slikstoornis nader te laten onderzoeken. Dat de gezondheidssituatie van patient in een zeer wankel evenwicht verkeerde, doet daar niets aan af.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

5.5 Verweerder heeft gesteld dat bij een invasief blaascarcinoom altijd wordt gedacht aan uitzaaiingen. Er waren echter geen klachten of afwijkingen, die verder onderzoek naar metastasen van het blaascarcinoom op dat moment zouden hebben gerechtvaardigd. Het college is van oordeel dat verweerder ter zake juist heeft gehandeld, waarmee dit deel van de klacht niet kan slagen.

De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is en zonder verder onderzoek in raadkamer zal worden afgewezen.

Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

(...)"

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder 2 "2. De feiten" zijn weergegeven.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1 In hoger beroep heeft klager zijn hiervoor onder 2 "3. De klacht en het standpunt van klager" vermelde klacht wat betreft de onderdelen 3. tot en met 5. herhaald en nader toegelicht.

De internist heeft primair aangevoerd dat klager niet in zijn beroep kan worden ontvangen, omdat het beroepschrift niet voldoet aan de in artikel 2 onder a van het Reglement van het Centraal Tuchtcollege en artikel 19 lid 1 sub c van het Tuchtrechtbesluit BIG gestelde eisen. Subsidiair heeft de internist gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stellingen van klager en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.3 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat uit het beroepschrift voldoende

duidelijk volgt dat klager de bedoeling had zijn klacht wat betreft de onderdelen 3. tot en met 5. opnieuw in volle omvang ter beoordeling voor te leggen. Uit het verweer van de internist in hoger beroep blijkt ook dat de internist het beroep als zodanig heeft begrepen. Het beroepschrift bevat derhalve de gronden van het beroep zoals bedoeld in artikel 73 lid 2 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) in verbinding met artikel 19 lid 1 onder c van het Tuchtrechtbesluit BIG en artikel 2 sub a van het Reglement van het Centraal Tuchtcollege. Klager is ontvankelijk in zijn beroep.

4.4 Ten aanzien van de in hoger beroep ter beoordeling voorgelegde klachtonderdelen heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep het Centraal Tuchtcollege geen aanleiding gegeven tot de vaststelling van andere feiten en tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg, zodat het beroep moet worden verworpen.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

eze beslissing is gegeven door: mr. J.M. Rowel-van der Linde, voorzitter, mr. J.P. Balkema en mr. M.W. Zandbergen, leden-juristen en prof. dr. R.C.M. Pelger en dr. T.J.M. Tobe,

leden-beroepsgenoten en mr. A. Mul, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van

22 maart 2016. Voorzitter w.g. Secretaris w.g.