Tuchtrecht | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose | ECLI:NL:TGZCTG:2016:370

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2016:370

Datum uitspraak: 20-12-2016

Datum publicatie: 22-12-2016

Zaaknummer(s): c2015.435

Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose

Beroepsgroep: Tandarts

Beslissingen:

Inhoudsindicatie: Klacht tegen tandarts. Bij klaagster zijn door verweerster diverse implantaten en abutments geplaatst. Klaagster verwijt verweerster onder meer dat een van de implantaten onjuist is geplaatst en dat zij dit implantaat, nadat klaagster klachten had, zonder waarschuwing heeft geprobeerd te verwijderen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen en het beroep van klaagster wordt door het Centraal Tuchtcollege verworpen.

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2015.435 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., tandarts, werkzaam te B., verweerster in beide instanties,

gemachtigde: mr. D.N.R. Wegerif, advocaat te Utrecht.

1. Verloop van de procedure

A. - hierna klaagster - heeft op 28 oktober 2014 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen C. - hierna de tandarts - een klacht ingediend. Bij beslissing van 24 november 2015, onder nummer 2014-272b, heeft dat College de klacht als ongegrond afgewezen. Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De tandarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2015.436 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 17 november 2016, waar zijn verschenen klaagster, en de tandarts, bijgestaan door mr. E.J.C. de Jong, kantoorgenoot van de gemachtigde van de tandarts.

Zowel klaagster als de tandarts en mr. De Jong hebben hun respectieve standpunten nader toegelicht.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

"2. De feiten

2.1 Klaagster is vanaf 20 juli 2006 onder behandeling geweest bij de kliniek voor Parodontologie te B.. Verweerster is werkzaam in deze kliniek.

2.2 Tussen 18 juli 2007 en 28 mei 2008 zijn bij klaagster door verweerster diverse implantaten en abutments geplaatst. Over de plaats van en het aantal implantaten heeft verweerster vooraf steeds overleg gehad met de tandtechnieker(s) en de tandarts-prothetist die de suprastructuren zou maken.

2.3 Op enig moment -na 18 juli 2007, maar voor het plaatsen van het implantaat in element 46 op 5 maart 2008 - heeft de huistandarts van klaagster een kroon geplaatst op element 47. Door de plaatsing van deze kroon was een brug in de rechteronderkaak niet meer het middel van eerste keus immers dan zou de recent geplaatste kroon op element 47 weer verwijderd moeten worden. Bij element 46 is gelet op de aanwezige ruimte vervolgens gekozen voor een 1 implantaat met daarop een kroon die gezien de afmeting van de aanwezige ruimte de vorm heeft van twee premolaren. Op 5 maart 2008 heeft verweerster het implantaat in de regio 46 geplaatst. De suprastructuur (de kroon) op element 46 is op 16 september 2008 geplaatst door een collega van verweerster, de tandarts-prothetist werkzaam in dezelfde praktijk als verweerster.

2.4 Op 16 april 2009, 22 december 2009, 4 januari 2011 en 28 februari 2012 is klaagster op controle geweest bij de kliniek voor Parodontologie. Bij deze controles functioneerde het implantaat en de kroon regio 46 prima, met een goede occlusie en articulatie. Na februari 2012 heeft de huistandarts de controles overgenomen.

2.5 Op 10 januari 2014 heeft klaagster de kliniek voor Parodontologie weer bezocht. Bij onderzoek door verweerster bleek het implantaat regio 46 niet (voldoende) in het bot geintegreerd. Hierop heeft verweerster het implantaat verwijderd.

3. De klacht

Klaagster verwijt verweerster zakelijk weergegeven:

1) dat het implantaat in element 46 niet goed geplaatst is, omdat de op het implan-taat geplaatste kroon een asymmetrische vorm had. Hierdoor is het implantaat in december 2013 losgeraakt, met de verwijdering ervan in januari 2014 tot gevolg.

2) dat op 10 januari 2014 verweerster, zonder waarschuwing, heeft geprobeerd het implantaat eruit te trekken. Pas nadat klaagster had aangegeven dat dit pijn deed is een verdoving gegeven.

3) verweerster ontkent dat in 2012 tegen klaagster is gezegd dat zij gedurende twee jaar niet op controle hoefde te komen. Verweerster werpt klaagster ten onrechte tegen dat klaagster tussen februari 2012 en begin 2014 niet op controle is geweest bij de praktijk voor Paradontologie.

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De beoordeling

5.1 Het eerste klachtonderdeel heeft betrekking op de behandeling van het element 46. Allereerst acht het College de keuze voor een implantaat ter vervanging van dit element verdedigbaar. Gelet op de afmeting van de kroon die op element 47 was geplaatst in combinatie met de wens van klaagster om deze kroon te behouden was de keuze voor een implantaat ter vervanging van element 46 het meest begrijpelijk.

Verweerster heeft ter zitting bij het College verklaard dat de positie van het implantaat in overleg met de tandtechnieker is bepaald en dat door de tandtechnieker een vaste boormal is vervaardigd aan de hand waarvan het implantaat in de kaak van klaagster is geplaatst. De positie van het implantaat is aldus niet toevallig bepaald maar een bewuste keuze geweest.

Idealiter wordt een implantaat centraal geplaatst in de ruimte van het te vervangen gebitselement. Dat is bij klaagster niet het geval, want het implantaat is iets uit het midden geplaatst. Hoewel dit dus niet de meest voor de hand liggende positie is heeft het College geen aanwijzingen dat dit grotere risico's met zich meebrengt. De conclusie, dat de plaats van het implantaat de oorzaak is van de problematiek begin 2014 kan namelijk niet worden getrokken. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat het implantaat ruim vijfenhalf jaar probleemloos heeft gefunctioneerd.

Uit het voorgaande volgt dat het eerste klachtonderdeel ongegrond is.

5.2 Het tweede klachtonderdeel betreft de behandeling op 10 januari 2014. Volgens klaagster werd het implantaat er op grove wijze uitgetrokken en kreeg zij eerst na het aangeven van pijn een verdoving.

Het College heeft mede gelet op de visie daarop van verweerster onvoldoende aanwijzingen om te kunnen vaststellen dat de behandeling is verlopen zoals klaagster betoogt. Het is niet ongebruikelijk dat eerst wordt bekeken of het implantaat dermate los staat dat het zonder verdoving te verwijderen is alvorens een verdoving te plaatsen. Dat het implantaat uiteindelijk onder verdoving is verwijderd is tussen partijen niet in geschil.

Ook het tweede klachtonderdeel is aldus ongegrond.

5.3 Het derde klachtonderdeel heeft betrekking op de controles na de plaatsing van de implantaten en kronen. In de praktijk waar verweerster werkzaam is wordt een richtlijn gehanteerd voor controle na plaatsen van de suprastructuur. Deze richtlijn schrijft de volgende controlemomenten voor:

- 1^e controle 6 weken na het plaatsen / belasten van de suprastructuur;

- driemaal een jaarlijkse controle van het roentgenbeeld, de mondhygiene /

pockets en de occlusie / articulatie;

- na de derde jaarlijkse controle mogen patienten kiezen of ze jaarlijks

terugkomen of de verdere controle door hun huistandarts laten doen.

Voornoemde richtlijn van de praktijk voor Parodontologie is in overeenstemming met de Algemene richtlijn tandheelkundige implantaten (versie december 2012) van de NVOI (Nederlandse Vereniging voor Orale Implantologie). In deze laatste richtlijn is in paragraaf 5.1 opgenomen:

"Wanneer de implantologische behandeling is afgerond en de suprastructuur is geplaatst, dient periodieke controle - minimaal een keer per jaar (...) - plaats te vinden."

Gelet op de in overweging 2.4 opgesomde controles hebben deze conform de door de Praktijk van verweerster gehanteerde richtlijn plaatsgevonden. Na februari 2012 heeft klaagster er, in overleg met een collega van verweerster, voor gekozen de controles door haar eigen tandarts te laten uitvoeren.

Voor zover klaagster het verweer heeft opgevat als zou haar keuze om na februari 2012 de controle door haar eigen tandarts te laten uitvoeren de oorzaak zijn van de problemen begin 2014, dan berust dit op een misvatting. Het College begrijpt het betoog van verweerster op dit punt aldus dat zij geen verklaring heeft voor de problemen in 2014 en daarbij mede betrekt dat zij geen zicht heeft op de mondstatus over de periode waarin klaagster de praktijk voor Parodontologie niet heeft bezocht.

Aldus is ook het derde klachtonderdeel ongegrond.

5.4 Het College merkt volledigheidshalve op dat de opbouw van de patientenkaart vragen oproept bij het College. Zo is ter zitting gebleken dat er op details verschil zit tussen de versie waarover het College beschikt en de uitdraai van verweerster. Dat is niet te verklaren. Dit is echter onvoldoende reden om de klacht voor enig onderdeel gegrond te verklaren.

5.5 De conclusie is dat verweerster met betrekking tot de klacht geen verwijt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht zal dan ook als ongegrond worden afgewezen."

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4. Beoordeling van het beroep

4.1 Klaagster beoogt met haar beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege voor te leggen en concludeert - impliciet - tot gegrondverklaring van het beroep.

4.2 De tandarts voert hiertegen verweer en concludeert tot verwerping van het

beroep.

4.3 Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van het schriftelijk en mondeling debat ter terechtzitting in beroep omtrent het handelen van de tandarts tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege en neemt hetgeen dat college onder 5.1 t/m 5.3 heeft overwogen hier over. Het Centraal Tuchtcollege voegt daaraan nog het volgende toe.

4.4 Begin 2014 zijn er plotseling klachten aan het implantaat ontstaan. De oorzaak van die klachten kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Nu het implantaat op 16 september 2008 is geplaatst en klaagster vanaf dat moment tot aan 2014 geen tot het implantaat herleidbare problemen heeft ervaren kan de stelling van klaagster dat het implantaat 6 jaar lang niet goed heeft gefunctioneerd niet worden gevolgd.

4.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klaagster moet worden verworpen.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. T.L. de Vries, voorzitter, mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen en drs. H.J. van Iterson en

mr. drs. R. van der Velden, leden-beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 december 2016.

Voorzitter w.g. Secretaris w.g.