Antwoorden op kamrvragen van Van der Vlies over het terugbrengen van gehandicapten uit de wijken naar een instelling

Antwoorden van staatssecretaris Bussemaker op Kamervragen van het Kamerlid Van der Vlies over het terugbrengen van gehandicapten uit de wijken naar een instelling (2060711580).


Vraag 1
Hebt u kennisgenomen van het bericht dat een instelling voor verstandelijk gehandicapten zo’n honderd personen terugbrengt vanuit de wijk naar het terrein van de instelling? 1)

Antwoord 1
Ja.

Vraag 2
Wat vindt u van een dergelijke ontwikkeling?

Antwoord 2
Ik ben een voorstander van een prettige leefomgeving voor de cliënt. Een kleinschalige setting kan daar veel aan bijdragen. Een kleinschalige setting in de wijk (net als ieder ander) of, als de cliënt dat niet wil of als dat niet mogelijk is, op het instellingsterrein (in ieder geval niet meer in grote paviljoens). Doordat instellingen op verschillende wijzen omgaan met kleinschalige woonvormen kan een gevarieerd aanbod van zorg- en woonmogelijkheden ontstaan waaruit cliënten kunnen kiezen. Ik realiseer me goed dat het wonen in de wijk niet voor iedere cliënt de ideale woonlocatie is. De woonlocatie moet passen bij de behoefte en ontwikkelingsmogelijkheden van een cliënt. Daarom is de wens van de cliënt, bijvoorbeeld besproken aan de hand van het leefwensenonderzoek en zorgplan, leidend.
Bij huisvesting in de wijk is een goede, continue begeleiding vanuit de instelling noodzakelijk. Daarbij denk ik aan zaken als: voorbereiding van buurtbewoners op komst van de cliënten (uitleg over beperking, eventueel gedragsproblematiek, en wat dat in de praktijk betekent), begeleiding van de cliënt op het zelfstandig wonen of in kleine groep (technische en praktische vaardigheden), veiligheidsaspecten, op het omgaan/communiceren met ‘gewone’ buren. Het gaat om meer dan alleen een huis in de wijk.

Vraag 3
Herkent u het door deze zorginstelling gesignaleerde probleem dat cliënten in woonwijken vereenzamen, omdat zij weinig contacten in de wijk hebben of de straat niet op durven?

Antwoord 3
Er zijn instellingen waar de omslag van het wonen in een grootschalige instelling naar kleinschalig wonen in de wijk goed gelukt is. De cliënten van deze instellingen zijn tevreden. In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij mensen met verstandelijke beperking gecombineerd met gedragsproblematiek, is het dankzij een intensieve begeleiding ook gelukt om gewoon in de wijk te wonen. Maar ook zullen er, net als bij elke andere burger, onder cliënten mensen zijn die op zichzelf gericht zijn, minder of geen contacten met buurtbewoners (willen) hebben of dit niet kunnen en hierin onvoldoende ondersteund worden. Overigens is er soms ook bij bewoners op instellingsterreinen sprake van vereenzaming.
Begin 2006 is de rapportage “Een eigen huis …” van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) verschenen. Hieruit blijkt dat het hebben van een eigen (woon)ruimte, de mogelijkheid om zelf te bepalen wat te doen en wie te ontvangen, het gevoel te hebben zelf de regie over het leven te voeren bepalende aspecten zijn voor de ervaren kwaliteit van leven. Echter, het zelfstandig wonen is niet voldoende voor integratie en participatie in de samenleving.

Vraag 4
Leeft dit probleem breder binnen de sector van de zorg voor verstandelijk gehandicapten? Bent u bereid hier onderzoek naar te verrichten?

Antwoord 4
Het SCP-rapport “Een eigen huis …” biedt inzicht in de consequenties en randvoorwaarden van zelfstandig wonen. Het kleinschalig wonen in de wijk, de randvoorwaarden daarbij en de grenzen daarvan zijn volop in debat. Een debat dat mijns inziens breder gevoerd moet worden dan de sector verstandelijk gehandicaptenzorg alleen. De Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) kan hierbij een belangrijke rol spelen. Onderzoek ligt op dit moment niet voor de hand.

Vraag 5
Neemt u concrete maatregelen om te voorkomen dat vereenzaming als gevolg van het door u gevoerde beleid van extramuralisering optreedt? Zo ja, welke maatregelen?

Antwoord 5
Voor iedere burger zijn er op lokaal niveau diverse activiteiten die georganiseerd worden en waaraan ook mensen met een beperking kunnen deelnemen. Ik denk daarbij aan welzijnsactiviteiten, inloop bij buurthuizen, maar ook aan sportactiviteiten en andere gelegenheden waar wijkbewoners elkaar ontmoeten. Participatie in de samenleving is een belangrijke factor bij het slagen van extramuralisering.
In het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wordt op lokaal niveau geïnvesteerd om verbindingen te leggen tussen gemeenten, woningcorporaties, welzijns- en zorginstellingen en burgers. Hierdoor ontstaan er sociale verbanden en onderlinge betrokkenheid. Verwacht mag dan ook worden dat burgers een verbindende rol gaan spelen en als vrijwilliger een belangrijke bijdrage leveren aan lokale activiteiten (actief burgerschap). Dit draagt bij aan versterking van de leefbaarheid in wijk en buurt en biedt randvoorwaarden zodat iedereen een passende plek in de samenleving kan krijgen.
Om dit te realiseren moet er gewerkt worden aan verbinding tussen AWBZ en Wmo, waardoor een natuurlijke overgang ontstaat van zorg naar participatie in de samenleving. Ik ben van mening dat er voor de instellingen een initiërende rol weggelegd ligt om hun cliënten te begeleiden op de weg naar participatie in de samenleving èn de totstandkoming van de verbinding AWBZ - Wmo.

Vraag 6
Ziet u in het voorstel en de motivering van deze instelling reden om het beleid rond extramuralisering te heroverwegen? Bent u bereid om meer ruimte te bieden voor een beleid dat uitgaat van het belang van de cliënten boven een beleidsdoel als extramuralisering? Zo neen, wat is hiervoor de reden?

Antwoord 6
Emancipatie en vermaatschappelijking van de zorg voor mensen met beperkingen is een onomkeerbare beweging. Tegelijkertijd ben ik groot voorstander van het voorop stellen van het belang van de cliënt. Mijns inziens hoeven deze twee invalshoeken elkaar niet tegen te werken. De integratiegedachte wil ik niet zomaar overboord gooien. Ik wil echter wel dat kleinschaligheid en wonen in de wijk een keuze-optie is. Vanuit die invalshoek zal ik dat dan ook blijven stimuleren. Uitdrukkelijk wil ik hier nogmaals aangeven dat er van gedwongen verhuizing geen sprake mag en kan zijn. Het is aan de cliënt om te bepalen of hij/zij dat wil.

1) de Volkskrant, 4 april 2007