Antwoorden op kamervragen over over de uitzonderingspositie van de Stichting Interkerkelijke Ledenadministratie en de scheiding van kerk en staat

Vragen van het lid Pechtold (D66) over de uitzonderingspositie van de Stichting Interkerkelijke Ledenadministratie en de scheiding van kerk en staat.

Vraag 1
Welke afspraken en regelingen gelden precies voor de Stichting Interkerkelijke Ledenadministratie (SILA) aangaande het verkrijgen van gegevens uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA)? Welke andere organisaties hebben dezelfde regeling? Is het waar dat de SILA de enige particuliere organisatie is die gegevens over haar leden verkrijgt uit de GBA? Zo ja, wat is hier de reden voor?

Vraag 2
Deelt u de mening dat hier sprake is van een anachronistische situatie? Zo ja, bent u bereid de uitzonderingspositie van de SILA ten aanzien van de GBA in vergelijking met andere organisaties op te heffen? Zo neen, waarom niet?

Vraag 3
Hoe verhoudt de huidige situatie zich tot de visie van de minister voor Jeugd en Gezin: “De staat is dus in die zin godsdienstig-levensbeschouwelijk neutraal, dat zij verplicht is verschillende godsdienstige en levensbeschouwelijke stromingen gelijk te berechtigen. Het behoort niet tot de taak van de staat om één bepaalde kerk of geloofsgemeenschap te bevoordelen, of zich in te laten met organisatie en inrichting daarvan.”?

Antwoord vragen 1 - 3
De Wet Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wgba) voorziet overheidsorganen van persoonsgegevens. Naast dit primaire doel is in artikel 99 van de wet opgenomen dat ook kan worden verstrekt aan derden. Dit artikel vormt de grondslag voor alle particuliere organisaties waarop tot systematische verstrekking van persoonsgegevens kan worden overgegaan. Verstrekking van persoonsgegevens vindt plaats nadat de betreffende organisatie daartoe door de Minister is geautoriseerd. Autorisatie van derden kan bijvoorbeeld aan de orde zijn ingeval de betreffende organisatie werkzaamheden verricht van bijzonder maatschappelijk belang of de betreffende organisatie die gegevens behoeft in verband met de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift. Gelet op het voorgaande moge duidelijk zijn dat de SILA niet de enige particuliere organisatie is waar persoonsgegevens aan worden verstrekt. Ter nadere toelichting merk ik op dat in artikel 99 van de Wgba is opgenomen dat ook wordt verstrekt aan pensioenfondsen en –verzekeraars, zorgverzekeraars en aan bepaalde financiële instellingen voor de uitvoering van bepaalde taken, en ook aan instellingen en voorzieningen voor onderwijs en gezondheidszorg. Ten slotte kunnen ook gemeenten op basis van een gemeentelijke verordening verstrekken aan rechtspersonen zonder winstoogmerk. Hiertoe kunnen ook particuliere organisaties behoren, zoals verenigingen voor het bijhouden van hun ledenbestand.

Voor de SILA geldt dat de grondslag voor verstrekking in de wet is opgenomen bij de totstandkoming van de Wgba in 1994. Bij de totstandkoming van de wet is er voor gekozen in de persoonslijst van een ingeschrevene niet langer zijn of haar levensbeschouwelijke of godsdienstige achtergrond op te nemen. Deze keuze was gelegen in het feit dat de levensbeschouwelijke of godsdienstige achtergrond van een burger geen zaak van de overheid betreft maar enkel de persoon en het betrokken genootschap aangaat. Het vervallen van dit gegeven had echter gevolgen voor de ledenadministraties van kerken. In de Memorie van Toelichting bij de totstandkoming van de Wgba (Tweede Kamer, 1988-1989, 21123, nr. 3) is daaromtrent opgenomen dat aan de SILA een beperkt aantal persoonsgegevens kunnen worden verstrekt om de kerkelijke en andere levensbeschouwelijke organisaties in staat te stellen hun reeds decennia lang bestaande ledenadministraties voort te kunnen laten bestaan. De SILA zelf houdt geen ledenbestand bij. Wel is de voorwaarde gesteld dat ook in de toekomst dit soort genootschappen om voor gegevensverstrekking uit de GBA in aanmerking te komen, zich moeten verenigen in één samenwerkingsverband, juist om de verschillende godsdienstige en levensbeschouwelijke genootschappen gelijk te behandelen. De genootschappen stellen hun leden vooraf in staat bezwaar te maken tegen een opname in het SILA-bestand. Verder is in de Wgba ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer bepaald dat de burger altijd het recht heeft zonder opgaaf van redenen de gemeente te verzoeken geen gegevens te verstrekken aan de SILA. Ten slotte is in de Memorie van Toelichting opgenomen dat op grond van de eerder genoemde overwegingen de conclusie is dat de regeling voor de SILA slechts inhoudt dat aan kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag die informatie wordt gegeven, die zij nodig hebben voor het zelfstandig bijhouden van hun ledenadministraties en dat daarmee de rol van de overheid zeer beperkt is.

Vraag 4
Indien het antwoord op vraag 2 negatief is, bent u dan bereid de regeling die u met de SILA heeft getroffen, ook aan andere religieuze (koepel-)organisaties aan te bieden? Kunnen ook andere organisaties zonder winstoogmerk aanspraak maken op een dergelijke regeling? Heeft u in het verleden soortgelijke verzoeken ontvangen? Zo ja, wat is uw reactie daarop geweest? Bent u voornemens hun eventuele toekomstige aanvraag daarvoor te honoreren?

Antwoord vraag 4
Ook andere kerkelijke en levensbeschouwelijke organisaties kunnen zich aansluiten bij de SILA en op die wijze gegevens verstrekt krijgen uit de GBA. Ik heb in het verleden geen andere verzoeken ontvangen van particuliere organisaties voor gegevensverstrekking ten behoeve van de bijhouding van hun ledenadministratie. Toekomstige aanvragen zal ik te zijner tijd beoordelen.

Vraag 5
Wat is uw reactie op de uitspraak van het lid Haverkamp dat “de bijzondere status van de SILA past bij de bijzondere functie die de kerk in onze samenleving vervult”[1] ? Hoe is deze uitspraak ter ondersteuning van het beleid van de Nederlandse regering te rijmen met de scheiding tussen kerk en staat?

Antwoord vraag 5
Zoals aangegeven in de beantwoording van de kamervragen 1 t/m 4 is de verstrekking aan de SILA zo ingericht dat recht wordt gedaan aan het uitgangspunt van scheiding tussen kerk en staat. In reactie op de opmerking van kamerlid Haverkamp verwijs ik naar de feitelijke weergave van de wijze van en de grondslag voor verstrekking aan de SILA in bovenstaande antwoorden.

[1] Jaap van der Spek, “Discussie over verstrekking persoonsgegevens aan kerken,” 30 januari 2007 (http://www.mediastudies.nl/nap2/index.php?option=com_content&task=view&id=967&Itemid=0