Fiscale nieuwsflits 10 augustus 2006

AWR: Ondanks kanttekeningen geen cassatie tegen vernietiging heffingsrentebeschikking

De staatssecretaris heeft toegelicht waarom hij afziet van cassatieberoep tegen de uitspraak waarin het hof de beschikking heffingsrente vernietigde.

Naar aanleiding van een door A ingediende aangifte verleende de inspecteur in juni 2003 een vermindering van de voorlopige aanslag (ad € 407) en vervolgens, één dag later, nog een voorlopige teruggaaf (ad € 1355) en € 22 aan heffingsrente. Bij deze beide (voorlopige aanslagen) is het door A aangegeven belastbare inkomen uit sparen en beleggen echter buiten beschouwing gelaten. In november 2004 is de definitieve aanslag conform de aangifte opgelegd. Die aanslag leidde tot een bedrag van € 414 aan verschuldigde belasting. Na verrekening van genoemde voorlopige teruggaaf resulteerde dit in een bedrag van € 1769 aan belasting en € 101 aan heffingsrente. In geschil is de hoogte van de aanslag alsmede van het totale vastgestelde bedrag aan heffingsrente.

Nadat de rechtbank het beroep ongegrond had geoordeeld, heeft A hoger beroep ingesteld. Het hof komt tot de conclusie dat het oordeel van de rechtbank juist is voor wat de hoogte van de aanslag betreft. Echter, met betrekking tot de heffingsrente wordt geoordeeld dat het feit dat deze in rekening is gebracht uitsluitend is te wijten aan de onzorgvuldige wijze waarop de Belastingdienst met de aangifte is omgegaan. Volgens het hof moet de berekening van heffingsrente hier dan ook achterwege blijven. Dit gelet op de door de wetgever gegeven argumenten voor het berekenen en vergoeden ervan. Overigens kan A geen verwijt worden gemaakt nu hij geen mogelijkheid had om bezwaar te maken tegen de twee beschikkingen uit juni 2003.

De staatssecretaris stelt geen beroep in cassatie in, zie onderstaande doorklik bij meer informatie.

Toelichting staatssecretaris van 14 juli 2006, nr. DGB 2006-3516, n.a.v. uitspraak Hof Amsterdam nr. 2005/01057, 2002, AWR 30f en IB 2001 9.4