Loonheffingen. Pensioenen; beschikbare-premieregelingen

Loonheffingen. Pensioenen; beschikbare-premieregelingen

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten

Besluit van 23 oktober 2007, nr. CPP2007/552M, Stcrt. nr.212

De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit bevat een samenvoeging en actualisering van drie eerdere besluiten over beschikbare-premieregelingen. Het betreft de volgende besluiten:
- het besluit van 28 april 2003, nr. CPP2003/308M, over beschikbare-premiestaffels;
- het besluit van 19 december 2003, nr. CPP2003/1648M, over de aanwijzing van kapitaalverzekeringen met pensioenclausule als beschikbare-premieregeling;
- het besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M, over de aanwijzing van pensioenregelingen waarbij de uitkeringen in beleggingseenheden worden gedaan.

1. Inleiding

In dit besluit heb ik in onderdeel 2 de beschikbare-premiestaffels van het besluit van 28 april 2003, nr. CPP2003/308M, aangepast met het oog op de invoering van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/ prepensioen en introductie levensloopregeling. Voorts heb ik de aanwijzing van kapitaalverzekeringen met pensioenclausule als pensioenregeling aangepast in verband met de Pensioenwet (onderdeel 3). In onderdeel 4 trek ik de aanwijzing van pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden in, ook weer in verband met de Pensioenwet. Bestaande regelingen gaan onder een overgangsregeling vallen.

De aanwijzingen als pensioenregeling in dit besluit vinden plaats in overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (zie artikel 19d van de Wet op de loonbelasting 1964).

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

IAPW

Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet

Intredeleeftijd

leeftijd waarop de pensioenopbouw bij de werkgever begint

OP

ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 18 e.v. van de Wet LB

Partijen

bij een pensioenregeling betrokken werkgever(s), werknemer(s) en pensioenverzekeraar(s)

Pensioendatum

in de pensioenregeling opgenomen ingangsdatum van het ouderdomspensioen

Pensioengrondslag

pensioengevend loon minus AOW-franchise

PP

partnerpensioen als bedoeld in artikel 18 e.v. van de Wet LB

PW

Pensioenwet

UBLB

Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965

Werkgever

inhoudingsplichtige in de zin van de Wet LB

Wet LB

Wet op de loonbelasting 1964

Wet VPL

Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/ prepensioen en introductie levensloopregeling

2. Beschikbare-premiestaffels

2.1. Inleiding

Bij werkgevers en werknemers bestaat behoefte aan praktische kaders voor de toepassing van artikel 18a, derde lid, van de Wet LB. Dit besluit geeft die kaders in de vorm van staffels die partijen kunnen hanteren bij de uitvoering van de pensioenovereenkomst. Onderdeel 2.2 geeft de grondslagen voor de vaststelling van de staffels. Onderdeel 2.3 bevat de aanwijzing van regelingen die de staffels hanteren. In bijlage I zijn de staffels zelf opgenomen tezamen met de voorwaarden en aandachtspunten die bij de toepassing van de staffels van belang zijn. Nieuw hierin zijn staffels die de kaders aangeven bij toepassing van artikel 10aa, derde lid, van het UBLB (lager opbouwpercentage en lagere AOW-franchise). Onderdeel 2.4 ten slotte bevat het overgangsrecht dat voortvloeit uit de invoering van de Wet VPL.

2.2. Grondslagen en uitgangspunten

Artikel 18a, derde lid, van de Wet LB bepaalt dat een op een beschikbare-premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen tijdsevenredig moet worden opgebouwd. Het stelsel moet zijn gericht op een pensioen dat na 35 jaren opbouw niet meer bedraagt dan 70 percent van het loon op dat tijdstip. Het artikel bevat verder voorschriften voor de vaststelling van de premie (vaststelling per leeftijdsklasse, de in beginsel te veronderstellen loopbaanontwikkeling en de te hanteren rekenrente en inflatie). Voor het partnerpensioen op basis van een beschikbare-premiestelsel bepaalt artikel 18b, derde lid, van de Wet LB, dat de uitgangspunten van artikel 18a, derde lid, van de Wet LB van overeenkomstige toepassing zijn.

De bepalende factoren voor een staffel zijn:
- de intredeleeftijd van de werknemer;
- de AOW-franchise;
- de toegezegde pensioensoorten;
- de verwachte loopbaanontwikkeling.

Als bij het opstellen van staffels met al deze individuele factoren rekening zou moeten worden gehouden, zouden tientallen staffels ontstaan. Dat is voor de praktijk niet werkbaar. Daarom geef ik in bijlage I van dit besluit een beperkt aantal algemeen toepasbare staffels. Deze staffels zijn gericht op een opbouw volgens het middelloonstelsel. Het voordeel hiervan is dat de staffels niet variëren met de intredeleeftijd. Voorts wordt in dat stelsel op een simpeler manier rekening gehouden met de veronderstelde loopbaanontwikkeling via het opbouwpercentage van 2,25%. De variatie in opbouw als gevolg van de AOW-franchise wordt in de staffels voorkomen door uit te gaan van een percentage van de pensioengrondslag in plaats van een percentage van het pensioengevend loon.

2.3. Aanwijzing

Ik wijs regelingen die gebruik maken van de staffels in bijlage I aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Het moet gaan om beschikbare-premieregelingen die in overeenstemming zijn met de in die bijlage genoemde voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.

2.4. Overgangsrecht

Het besluit van 28 april 2003, nr. CPP2003/308M, blijft van toepassing op werknemers voor wie het overgangsrecht geldt van artikel 38d, tweede lid, artikel 38e, tweede lid, of artikel 38f, tweede lid, van de Wet LB.

3. Kapitaalovereenkomsten

3.1. Inleiding

Dit onderdeel betreft de fiscale behandeling van pensioenovereenkomsten die artikel 10 van de PW aanduidt als kapitaalovereenkomsten. Voorheen was de gebruikelijke aanduiding: kapitaalverzekeringen met pensioenclausule. Onderdeel 3.3 bevat de aanwijzing van deze kapitaalovereenkomsten als pensioenregeling. In bijlage II volgen de voorwaarden voor een dergelijke aanwijzing.

3.2. Indeling kapitaalovereenkomsten

In de praktijk kan onduidelijkheid bestaan over de fiscale behandeling van kapitaalovereenkomsten. Hoofdstuk IIB van de Wet LB kent geen pensioenregelingen met kapitaalovereenkomsten, maar alleen eindloonregelingen, middelloonregelingen en beschikbare-premieregelingen. Kapitaalovereenkomsten hebben gemeen met beschikbare-premieregelingen dat de te verkrijgen pensioenuitkeringen niet van tevoren vaststaan. Regelingen met kapitaalovereenkomsten voldoen evenwel niet aan de in artikel 18a, derde lid, van de Wet LB genoemde voorwaarden voor beschikbare-premieregelingen. Daarom wijs ik deze regelingen aan als pensioenregeling.

3.3. Aanwijzing

Ik wijs regelingen met een kapitaalovereenkomst aan als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Het moet gaan om pensioenregelingen die in overeenstemming zijn met de in bijlage II opgenomen voorwaarden en bijzonderheden. De regelingen moeten overigens voldoen aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB.

4. Pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden

4.1. Inleiding

In het besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M, heb ik aangegeven dat pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden niet voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Bij de fiscale beoordeling van een pensioenregeling dienen de rechten uitgedrukt in euro’s het uitgangspunt te zijn. De pensioenuitkeringen moeten ook na de pensioeningangsdatum aan de grenzen van artikel 18a tot en met artikel 18h van de Wet LB worden getoetst. Daarbij zijn andere overschrijdingen dan die zijn genoemd in artikel 18d van de Wet LB niet toegestaan.

In hetzelfde besluit heb ik de genoemde regelingen tijdelijk aangewezen als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Ik heb daarbij meegedeeld dat ik mijn beleid zou bezien bij de invoering van de Pensioenwet. Artikel 11 van de PW bepaalt dat de uitkering in het kader van een pensioenovereenkomst wordt vastgesteld in een wettig Nederlands betaalmiddel. Er bestaat daarom aanleiding om het beleid te herzien.

Deze beleidsherziening geldt ook voor pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden die niet onder de PW vallen. Reden hiervoor is de hierboven vermelde strijdigheid van deze regelingen met de wettelijke bepalingen in de loonbelasting. Daarnaast is een gelijke fiscale behandeling gewenst van alle pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden.

Onderdeel 4.2 bevat de intrekking van de aanwijzing van de genoemde regelingen. In onderdeel 4.3 heb ik overgangsrecht opgenomen voor een ordentelijke fiscale afwikkeling van de thans nog aangewezen regelingen.

4.2. Intrekking aanwijzing

In overeenstemming met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid trek ik de aanwijzing in van pensioenregelingen met uitkeringen in beleggingseenheden als pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Ik verbind aan deze intrekking het volgende overgangsrecht.

4.3. Overgangsrecht

Artikel 12, eerste lid, van de IAPW, bepaalt dat artikel 11 van de PW slechts geldt voor pensioenaanspraken die worden verworven na de inwerkingtreding van laatstgenoemd artikel. Artikel 11 van de PW treedt in werking op 1 januari 2008. Het besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M, blijft daarom tot die datum van kracht. Uitkeringen die berusten op aanspraken die zijn verworven vóór 2008 kunnen worden gedaan in beleggingseenheden. Voor zover van toepassing blijven voor deze aanspraken en uitkeringen de voorwaarden gelden van het genoemde besluit, ook na 1 januari 2008. Alle uitkeringen die berusten op aanspraken die op of na 1 januari 2008 worden verworven, moeten worden gedaan in euro’s. De aanspraken zijn anders niet vrijgesteld op basis van Hoofdstuk IIB van de Wet LB.

Partijen kunnen er voor kiezen om op of na 1 januari 2008 de vóór die datum verworven aanspraken in beleggingseenheden geheel of gedeeltelijk om te zetten in aanspraken op uitkeringen in euro’s. Deze keuze is onherroepelijk. Het omzetten van aanspraken op uitkeringen in euro’s in aanspraken op uitkeringen in beleggingseenheden is naar mijn oordeel met ingang van 1 januari 2008 in strijd met artikel 11 van de PW. Voorts zal een dergelijke omzetting leiden tot toepassing van artikel 19b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet LB. De gehele pensioenaanspraak wordt belast omdat het pensioen niet meer voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk IIB van de Wet LB. Zie ook onderdeel 4.1, eerste alinea.

5. Ingetrokken regelingen

De hierna volgende besluiten zijn ingetrokken met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Deze intrekking geldt met inachtneming van het overgangsrecht van onderdelen 2.4 en 4.3.
- besluit van 28 april 2003, nr. CPP2003/308M;
- besluit van 19 december 2003, nr. CPP2003/1648M.

Het volgende besluit wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2008:
- besluit van 1 maart 2004, nr. CPP2003/2813M.

6. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 23 oktober 2007.

de staatssecretaris van Financiën,
namens deze:
de directeur-generaal Belastingdienst,
mr. J. Thunnissen.

Bijlage I en Bijlage II bij het besluit vindt u onder "meer informatie" in het PDF document.