Opbrengsten bronheffing spaartegoeden

Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA 'S-GRAVENHAGE

Datum: 14 maart 2008
Uw brief (Kenmerk):
Ons kenmerk: AFP 2008-00162
Onderwerp: Opbrengsten bronheffing spaartegoeden

Geachte voorzitter,

Tijdens het Algemeen Overleg Ecofin Raad van 28 februari jl. heb ik uw Kamer toegezegd een overzicht te verstrekken van de bedragen die Nederland heeft ontvangen in het kader van de spaartegoedenrichtlijn en de diverse spaartegoedenovereenkomsten. Vanwege het feit dat de overmakingen over 2007 pas later dit jaar geschieden, beperk ik mij tot de opbrengsten uit de jaren 2005 en 2006.

Land/gebied

2005

2006

Andorra

6.672

32.930

België

2.418.218

6.000.860

British Virgin Islands

0

10

Guernsey

51.414

187.960

Jersey

154.720

35.021

Isle of Man

0

222.047

Liechtenstein

20.139

74.460

Luxemburg

2.581.976

7.769.876

Monaco

13.340

63.652

Oostenrijk

156.518

575.522

San Marino

18

44

Zwitserland

1.441.120

7.649.009

Totaal

6.844.135

22.611.391

De stijging van de totale opbrengst, waarover ik ook tijdens het AO Ecofin Raad in algemene termen sprak, kan mede worden verklaard aan het navolgende:

  1. De spaartegoedenrichtlijn en de spaartegoedenovereenkomsten zijn per 1 juli 2005 in werking getreden waardoor enkel een bronheffing (van 15%) is ingehouden over rentebetalingen die in het tweede halfjaar van 2005 zijn verricht. De in het eerste halfjaar van 2005 verrichte rentebetalingen hebben nog zonder inhouding van deze bronheffing plaatsgevonden.
  2. Tijdens de bijeenkomst van 12 april 2005 heeft de Ecofin Raad geconcludeerd dat alleen vanaf 1 juli 2005 gekweekte rente onder de reikwijdte van de spaartegoedenrichtlijn valt. Dit geldt mutatis mutandis ook voor de spaartegoedenovereenkomsten. Het voorgaande betekent dat rente die is uitbetaald na 1 juli 2005 slechts gedeeltelijk door een bronheffing wordt getroffen. Het deel van de rentebetaling dat betrekking heeft op rente die is aangegroeid in de periode van voor inwerkingtreding van de richtlijn, is ongeacht het tijdstip van betaling vrijgesteld van de bronheffing. Omdat rente veelal jaarlijks wordt uitbetaald, ligt het belang van deze raadsconclusie voor namelijk in de jaren 2005 en in mindere mate 2006. Na verloop van tijd zal de raadsconclusie haar belang in het geheel verliezen.
  3. Op grond van artikel 15 van de spaartegoedenrichtlijn valt rente die wordt vergoed op bepaalde verhandelbare schuldinstrumenten (in het bijzonder (staats)obligaties) tot 31 december 2010 niet onder de werking van de spaartegoedenrichtlijn, tenzij – kort gezegd – tussen 1 juli 2005 en 31 december 2010 een emissie plaatsvindt. Ook het belang van deze bepaling zal in de tijd aflopend blijken te zijn. Vergelijkbare bepalingen zijn ook in de spaartegoedenovereenkomsten terug te vinden.

Ik vertrouw erop u hiermee naar genoegen te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,

mr. drs. J.C. de Jager