Overdrachtsbelasting. Stichting als top van het concern

Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten

Besluit van 26 juni 2007, nr. CPP2007/265M, Stcrt. nr. 131

De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit is een actualisering van het besluit over de vrijstelling bij de verkrijging van onroerende zaken bij een interne reorganisatie binnen een (fictief) concern. Onder voorwaarden wordt het beleid gemandateerd aan de inspecteur. Overigens wordt geen beleidswijziging beoogd. Het verouderde besluit wordt ingetrokken.

1. Inleiding

Voor de overdrachtsbelasting geldt een vrijstelling voor de verkrijging van een onroerende zaak bij interne reorganisatie (artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de WBR). De voorwaarden waaraan de verkrijging of verkrijger moet voldoen zijn opgenomen in artikel 5b van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Eén van deze voorwaarden is dat het moet gaan om overdrachten tussen vennootschappen die tot hetzelfde concern behoren. Een stichting of vereniging is geen vennootschap; zij kunnen dus geen onderdeel van een concern zijn en ook niet als top van een concern fungeren.

In een aantal gevallen leidt strikte toepassing van de wettelijke bepaling tot een onbillijk resultaat. Dit besluit bevat enkele goedkeuringen op grond van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Deze betreffen de situatie waarin een stichting of vereniging (waaronder ook begrepen de coö peratie en onderlinge waarborgmaatschappij) als top van een (fictief) concern fungeert. De bevoegde inspecteur van de Belastingdienst kan de goedkeuringen toepassen. De goedkeuringen lopen vooruit op de aanpassing van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer. Na de aanpassing zal ik de besluiten over de vrijstelling voor de verkrijging van een onroerende zaak bij interne reorganisatie actualiseren en samenvoegen.

2. Gebruikte begrippen en afkortingen

WBR

Wet op belastingen van rechtsverkeer

UBBR

Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer

Concern

Onder een concern wordt verstaan een vennootschap waarvan niet alle of nagenoeg alle aandelen onmiddellijk of middellijk in het bezit zijn van een andere vennootschap, tezamen met alle andere vennootschappen waarin zij onmiddellijk of middellijk alle of nagenoeg alle aandelen bezit (art. 5b, tweede lid, van het UBBR).

Vereniging

Een rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging zonder een in aandelen verdeeld kapitaal, waaronder ook begrepen de coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij

Vrijstelling

De vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel h, van de WBR jo. artikel 5b van het UBBR

3. Goedkeuring bij overdracht door "moeder" aan "dochter"

Een stichting of vereniging bezit onmiddellijk of middellijk alle of nagenoeg alle aandelen in een aantal naamloze of besloten vennootschappen. Als de stichting of vereniging onroerende zaken overdraagt aan zo’n dochterven nootschap is er geen sprake van een overdracht binnen concern als bedoeld in de vrijstelling. Ik keur goed dat de inspecteur de vrijstelling overeenkomstig toepast op een dergelijke overdracht als wordt voldaan aan de overige voorwaarden van artikel 5b van het UBBR.

Om mogelijke misverstanden te voorkomen merk ik op dat de goedkeuring alleen geldt voor de overdracht van de stichting of vereniging aan de dochtervennootschap, en niet voor een (terug-)overdracht door de dochtervennootschap aan de stichting of vereniging.

4. Goedkeuring bij overdracht tussen “zuster”vennootschappen onderling

Een stichting of vereniging bezit onmiddellijk of middellijk alle of nagenoeg alle aandelen in een aantal naamloze of besloten vennootschappen. Eén van deze dochtervennootschappen draagt onroerende zaken over aan een “zuster” vennootschap. Als een dergelijke overdracht niet geschiedt binnen concern, mist de vrijstelling toepassing. Ik keur goed dat de inspecteur de vrijstelling overeenkomstig toepast op een dergelijke overdracht als wordt voldaan aan de overige voorwaarden van artikel 5b van het UBBR.

5. Te stellen voorwaarden

Aan de bovengenoemde goedkeuringen verbindt de inspecteur de volgende voorwaarden. Deze voorwaarden komen zoveel mogelijk overeen met die, geformuleerd in artikel 5b van het UBBR.
- De betrokken rechtspersonen verzoeken om overeenkomstige toepassing van de vrijstelling.
- Aan de voorwaarden van artikel 5b van het UBBB wordt voldaan. Hierbij gelden de volgende voorbehouden. Bij het eerste lid wordt de stichting of de vereniging niet als een tot het concern behorende vennootschap aangemerkt.
- In het tweede lid wordt voor ”een vennootschap waarvan niet alle of nagenoeg alle aandelen onmiddellijk of middellijk in het bezit zijn van een andere vennootschap” gelezen “de stichting of vereniging”.
- In de plaats van het derde lid geldt de voorwaarde dat de belasting die door toepassing van dit beleidsbesluit niet is geheven alsnog verschuldigd is indien de verkrijgende vennootschap binnen drie jaren na de verkrijging niet langer deel uitmaakt van het (fictieve) concern.
- In de plaats van het vierde lid geldt de voorwaarde dat de belasting die door toepassing van dit beleidsbesluit niet is geheven alsnog verschuldigd wordt indien de verkregen onderneming of activiteiten niet gedurende drie jaren binnen het (fictieve) concern zijn voortgezet.
- De tegemoetkoming vervalt indien de verkrijgende vennootschap binnen drie jaren na de overdracht van de onroerende zaak voor de heffing van overdrachtsbelasting het standpunt inneemt niet of niet langer deel uit te maken van het (fictieve) concern.
- De in dit besluit opgenomen goedkeuringen zien op situaties waarin de overdrachtsbelasting volgens de wettelijke bepalingen verschuldigd is. Deze wettelijke verschuldigdheid brengt mee dat bij een toekomstige overdracht van de verkregen onroerende zaken, de koper onder omstandigheden formeel gezien aanspraak kan maken op een vermindering van overdrachtsbelasting op grond van artikel 9, vierde lid, dan wel artikel 13 van de WBR. Als en voor zover bij een toekomstige verkrijging op deze grond aanspraak op vermindering wordt gemaakt, komt de goedkeuring te vervallen.

6. Ingetrokken regeling

Het volgende besluit is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit:
- 7 maart 1989, nr. IB87/608.

7. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met de dagtekening van het besluit.

Den Haag, 26 juni 2007.

de staatssecretaris van Financiën,
namens deze:
de directeur-generaal Belastingdienst,
mr. J. Thunnissen.