Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001

Directoraat-generaal voor Fiscale Zaken, directie Directe Belastingen

21 december 2007 nr. DB 2007/ 681M, Stcrt. nr. 251

De Staatssecretaris van Financiën;

Gelet op artikel 5.14, eerste en vijfde lid, artikel 5.15, eerste en vijfde lid, artikel 5.18, eerste, derde en vijfde lid, en artikel 5.18a, eerste en vijfde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

Besluit:

Artikel I

De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A. In artikel 1, eerste lid, wordt “5.18” vervangen door: 5.18, 5.18a.

B. De artikelen 28 en 29 worden vervangen door vier nieuwe artikelen, luidende:


Artikel 28
Reikwijdte en definities

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. inspecteur: de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Amsterdam;
b. groenproject: een project waarvoor ingevolge de Regeling groenprojecten 2005 dan wel de Regeling groenprojecten buitenland 2002 een verklaring als bedoeld in artikel 5.14, derde lid, van de wet is afgegeven;
c. sociaal-ethisch project: een project waarvoor ingevolge de Regeling sociaal-ethische projecten 2005 een verklaring als bedoeld in artikel 5.15, derde lid, van de wet is afgegeven;
d. cultureel project: een project waarvoor ingevolge de Regeling cultuurprojecten 2004 een verklaring als bedoeld in artikel 5.18a, derde lid, van de wet is afgegeven;
e. project: groenproject, sociaal-ethisch project of cultureel project;
f. groenfonds: bank of beleggingsinstelling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.14, tweede lid, van de wet en die door de inspecteur ingevolge artikel 5.14, eerste lid, van de wet is aangewezen;
g. sociaal-ethisch fonds: bank of beleggingsinstelling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.15, tweede lid, van de wet en die door de inspecteur ingevolge artikel 5.15, eerste lid, van de wet is aangewezen;
h. cultuurfonds: bank of beleggingsinstelling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.18a, tweede lid, van de wet en die door de inspecteur ingevolge artikel 5.18a, eerste lid, van de wet is aangewezen;
i. fonds: een groenfonds, een sociaal-ethisch fonds of een cultuurfonds;
j. participatiemaatschappij: een rechtspersoon die voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.18, tweede lid, van de wet en die door de inspecteur ingevolge artikel 5.18, eerste lid, van de wet is aangewezen;
k.hoofdzakelijkheidscriterium: de voorwaarde inzake hoofdzakelijk als bedoeld in artikel 5.14, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 5.15, tweede lid, artikel 5.18, tweede lid, of artikel 5.18a, tweede lid, van de wet;
l. aanloopperiode: de periode, bedoeld in artikel 5.14, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 5.15, vierde lid, artikel 5.18, vierde lid, of artikel 5.18a, vierde lid, van de wet;
m. ingroeiperiode: de periode, bedoeld in artikel 5.14, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 5.15, vijfde lid, artikel 5,18, vierde lid, of artikel 5.18a, vijfde lid, van de wet.


Artikel 29
Inhoud verzoek om aanwijzing als groenfonds, sociaal-ethisch fonds of cultureel fonds, en afhandeling verzoek
1. Een verzoek om aanwijzing als fonds wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur onder overlegging van:
a. de statuten van het fonds;
b. een afschrift van de inschrijving in het register, bedoeld in artikel 1:107 van de Wet op het financieel toezicht; en
c. een opgave van de feitelijke werkzaamheden en voorgenomen werkzaamheden van het fonds.
2. Bij een verzoek om aanwijzing als fonds met een ingroeiperiode worden tevens overgelegd:
a. een ingroeiplan op grond waarvan het aannemelijk is dat binnen drie maanden na de aanwijzing ten minste 30 percent van het vermogen van het fonds is belegd in projecten dan wel bestaat uit kredieten ten behoeve van projecten;
b. een ingroeischema op grond waarvan het aannemelijk is dat uiterlijk twee jaren na de aanwijzing ten minste 70 percent van het vermogen van het fonds is belegd in projecten dan wel bestaat uit kredieten ten behoeve van projecten.
3. De inspecteur beslist op het verzoek tot aanwijzing bij voor bezwaar vatbare beschikking.
4. De aanwijzing vindt plaats met ingang van de datum waarop het verzoek is ingediend, dan wel met ingang van een latere datum indien daarom is verzocht.

Artikel 29a Informatievoorziening door het fonds aan de inspecteur
1. Een aangewezen fonds overlegt binnen vier maanden na afloop van ieder boekjaar aan de inspecteur een overzicht van zijn bezittingen en schulden naar de waarde in het economische verkeer aan het einde van het boekjaar.
2. Ingeval het fonds is aangewezen met een aanloopperiode, verstrekt het fonds onmiddellijk na afloop van die periode aan de inspecteur een overzicht van zijn bezittingen en schulden naar de actuele waarde in het economische verkeer.
3. Ingeval het fonds is aangewezen met een ingroeiperiode, verstrekt het fonds in die periode elk half jaar aan de inspecteur een overzicht van zijn bezittingen en schulden naar de actuele waarde in het economische verkeer.
4. Indien een aangewezen fonds niet meer voldoet aan de voorwaarden voor aanwijzing, doet het fonds daarvan onverwijld schriftelijk mededeling aan de inspecteur.

Artikel 29b Intrekking aanwijzing
1. De inspecteur trekt de aanwijzing in:
a. op verzoek van het fonds;
b. indien het fonds niet meer voldoet aan de voorwaarden voor aanwijzing; dan wel
c. indien het fonds de in dit hoofdstuk opgenomen informatieverplichtingen jegens de inspecteur niet nakomt.
2. De intrekking van de aanwijzing geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking.
3. De inspecteur bepaalt in de beschikking het tijdstip waarop de intrekking van de aanwijzing in werking treedt, met dien verstande dat de intrekking terugwerkende kracht heeft tot en met de dag waarop het eerste lid, onderdeel b of c, van toepassing is.
4. Ingeval het fonds is aangewezen met een aanloopperiode en na afloop van die periode niet wordt voldaan aan het hoofdzakelijkheidscriterium, heeft de intrekking terugwerkende kracht tot en met de eerste dag na het aflopen van die periode.
5. Ingeval het fonds is aangewezen met een ingroeiperiode en na afloop van die periode niet wordt voldaan aan het hoofdzakelijkheidscriterium, heeft de intrekking terugwerkende kracht tot en met de eerste dag na het aflopen van die periode.
6. Indien het fonds de in artikel 29a, vierde lid, bedoelde mededeling onverwijld heeft gedaan, heeft de intrekking geen terugwerkende kracht.
7. Indien het fonds de in artikel 29a, vierde lid, bedoelde mededeling onverwijld heeft gedaan en voorts aannemelijk maakt dat het niet meer voldoen aan de voorwaarden niet langer dan drie maanden zal voortduren, een incidenteel karakter heeft en niet in strijd is met doel en strekking van de regeling, trekt de inspecteur de aanwijzing niet in. Het besluit de aanwijzing niet in te trekken, neemt de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking; daarbij kan hij nadere voorwaarden stellen.

C. Artikel 33 komt te luiden:


Artikel 33
Participatiemaatschappij; omvang en karakter van het vermogen, alsmede aanwijzing van de participatiemaatschappij en intrekking van de aanwijzing
1. Het in een participatiemaatschappij gestorte kapitaal en het door die maatschappij aangetrokken vreemd vermogen dienen tezamen ten minste € 4 537 802 te bedragen.
2. De door een participatiemaatschappij verstrekte, achtergestelde geldlening, bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet en de door haar gehouden deelneming, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, van dat artikel, bedragen tezamen ten hoogste € 226 890 per beginnende ondernemer. De in de eerste volzin bedoelde leningen en deelnemingen kunnen voor geen langere periode dan voor de duur van acht jaren, te rekenen vanaf het tijdstip van verstrekking van de lening, onderscheidenlijk de verwerving van de deelneming, worden aangemerkt als achtergestelde geldlening als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet, onderscheidenlijk als deelneming als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet.
3. Als een achtergestelde geldlening als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet wordt aangemerkt de geldlening ter zake waarvan in de overeenkomst is opgenomen dat de lening jegens andere schuldeisers, gedurende ten minste de eerste acht jaren na het overeenkomen van de geldlening, een lagere rang inneemt dan is bepaald in artikel 277, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en die, in geval de beginnende ondernemer een natuurlijk persoon is, dient ter financiering van bestanddelen die bij de beginnende ondernemer behoren tot het verplichte ondernemingsvermogen van die onderneming en, in geval de beginnende ondernemer een rechtspersoon is, bij de rechtspersoon dient ter financiering van bestanddelen die tot het verplichte ondernemingsvermogen zouden behoren indien de onderneming van de rechtspersoon voor rekening van een natuurlijk persoon zou worden gedreven.
4. Als een deelneming als bedoeld in artikel 5.18, tweede lid, onderdeel a, van de wet wordt aangemerkt de deelneming waarbij het in de rechtspersoon te storten kapitaal dient ter financiering van bestanddelen die tot het verplichte ondernemingsvermogen zouden behoren indien de onderneming van de rechtspersoon voor rekening van een natuurlijk persoon zou worden gedreven.
5. Met betrekking tot het verzoek om aanwijzing als participatiemaatschappij, de afhandeling van dat verzoek, de informatieverstrekking en de intrekking van de aanwijzing zijn de artikelen 29 tot en met 29b van overeenkomstige toepassing.

D. Artikel 33a vervalt.

E. Na artikel 45b wordt een artikel ingevoegd, luidende


Artikel 45c
Continuering na 1 januari 2008 van aanwijzingen als fonds of participatiemaatschappij van vóór die datum
1. Een fonds dat voor 1 januari 2008 is aangewezen als fonds als bedoeld in artikel 5.14, onderscheidenlijk artikel 5.15 of artikel 5.18a van de wet, zoals de wet toen luidde, wordt geacht met ingang van 1 januari 2008 door de inspecteur bij beschikking te zijn aangewezen op de voet van de wet zoals die thans luidt.
2. Een participatiemaatschappij die voor 1 januari 2008 is aangewezen als participatiemaatschappij als bedoeld in artikel 5.18 van de wet, zoals de wet toen luidde, wordt geacht met ingang van 1 januari 2008 door de inspecteur bij beschikking te zijn aangewezen op de voet van de wet zoals die thans luidt.

Artikel II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2008.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De staatssecretaris van Financiën,

Toelichting

Algemeen

Op grond van artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de wet) worden maatschappelijke beleggingen tot een bepaald maximum niet tot de bezittingen gerekend die de grondslag voor de vermogensrendementsheffing (box 3) vormen. Bovendien wordt voor deze vormen van beleggingen een heffingskorting verleend. Maatschappelijke beleggingen zijn groene beleggingen en sociaal-ethische beleggingen. In deze regeling zijn de voorwaarden opgenomen voor de fondsen die actief zijn in deze vorm van beleggen. De regeling is tevens van toepassing voor de fondsen waarvan de werkzaamheden bestaan uit cultureel beleggen en voor participatiemaatschappijen die indirect beleggen in durfkapitaal. De faciliteiten daarvoor zijn in de wet onder de vrijstelling beleggingen in durfkapitaal gerangschikt. Genoemde vrijstellingen zijn onderscheidenlijk in de wet opgenomen in de artikelen 5.14, 5.15, 5.18 en 5.18a.
Met deze regeling worden de artikelen 28, 29, 33 en 33a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 vervangen. De nieuwe artikelen bevatten naast de tot nu toe geldende voorwaarden om als fonds of participatiemaatschappij te worden aangewezen regels met betrekking tot de aanvang en de beëindiging van de periode waarin het fonds of de participatiemaatschappij als zodanig is aangewezen. Het vastleggen van deze tijdstippen is met name van belang omdat de tot nog toe via beleidsbesluiten toepasselijke coulanceregelingen voor beginnende fondsen en participatiemaatschappijen (aanloop- en groeiperiode) met ingang van 1 januari 2008 in de wet zijn verankerd (zie Wet fiscale rechtshandhaving, Stb. 2007, 376). De voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen zijn eveneens in deze regeling neergelegd. De desbetreffende Beleidsbesluiten (Besluit van 2 juli 2002, nr. CPP2002/1856M, Besluit van 11 november 2002, nr. CPP2002/2865M en Besluit van 16 november 2004, nr. CPP2004/2534M) hebben hun belang verloren en zullen worden ingetrokken.
De in genoemde beleidsbesluiten opgenomen aanvullende informatieverplichtingen en eisen voor bestaande banken of beleggingsinstellingeninstellingen die zich tot een kwalificerend fonds willen omvormen zijn niet meer opgenomen. Deze hebben hun belang verloren door het verloop van de tijd. Hetzelfde geldt voor de verplichtingen en bepalingen die voorheen golden voor bestaande rechtspersonen die zich willen omvormen tot participatiemaatschappijen. Ook deze eisen zijn door de tijd achterhaald.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A (Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, artikel 1, eerste lid)
In het eerste lid van artikel 1 van de Uitvoeringsregeling is een opsomming gegeven van de wetsartikelen waarop de regeling is gebaseerd. Deze opsomming is up-to date gebracht.

Artikel I, onderdeel B (Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, artikelen 28, 29, 29a en 29b)
Het eerste lid van artikel 28 definieert de voor de toepassing van hoofdstuk 5 van de Uitvoeringsregeling van belang zijnde begrippen. Verwezen wordt telkens naar de desbetreffende bepalingen in de Wet inkomstenbelasting 2001. Uit onderdeel a volgt dat voor de uitvoering van deze regeling de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Amsterdam bevoegd is. Voor de reguliere heffing en invordering van rijksbelastingen van banken en beleggingsinstellingen is deze voorzitter eveneens competent.
In artikel 29 zijn de gegevens opgenomen die een bank of beleggingsinstelling moet overleggen bij het verzoek aan de inspecteur om te worden aangewezen als groenfonds, sociaal-ethisch fonds of cultuurfonds (hierna: kwalificerend fonds). Aan de hand van deze gegevens beoordeelt de inspecteur of een bank of beleggingsinstelling kan worden aangemerkt als kwalificerend fonds. Het doel en de feitelijke werkzaamheden van een fonds moeten hoofdzakelijk, dat wil zeggen voor 70 procent of meer, bestaan uit het verstrekken van kredieten voor of het beleggen in groen-, sociaal-ethische of culturele projecten.
Daarom moeten de statuten worden overgelegd alsmede een opgave van de feitelijke werkzaamheden en van de geplande leningen ten behoeve van projecten en van de geplande indirecte of directe beleggingen in projecten. De banken en beleggingsinstellingen die in aanmerking willen komen voor aanwijzing als groen-, sociaal-ethisch of cultureel fonds moeten een afschrift overleggen van hun inschrijving in het register dat wordt bijgehouden ingevolge de Wet op het financieel toezicht. Zij zijn daarmee onderworpen aan het toezicht van De Nederlandsche Bank. Ook buitenlandse banken en instellingen die op de Nederlandse markt opereren moeten zijn ingeschreven in dit register. Deze zijn dan niet onderworpen aan het toezicht van de Nederlandsche Bank maar staan onder toezicht in hun eigen land.
Fondsen die ten tijde van de indiening van het verzoek tot aanwijzing nog niet (geheel) voldoen aan het hoofdzakelijkheidscriterium, maar waarbij voorzienbaar is dat dit op korte termijn wel het geval is, kunnen toch aangewezen worden. Het fonds krijgt dan in een aanloopperiode van drie maanden de tijd om aan die eis te voldoen. Omdat de aanwijzing geldt vanaf de eerste dag, zijn de faciliteiten die gekoppeld zijn aan het kwalificerende fonds eveneens gedurende deze aanloopperiode van toepassing. De bank of beleggingsinstelling moet dan uiteraard bij het verzoek tot aanwijzing wel aannemelijk maken dat binnen drie maanden wel aan het hoofdzakelijkheidsvereiste wordt voldaan.
In het tweede lid wordt aanvullende informatie geëist voor het geval het fonds op het moment van aanwijzing nog niet voldoet aan het hoofdzakelijkheidsvereiste, de aanloopperiode te kort is om daar wel aan te kunnen voldoen en het fonds gebruik maakt van de ingroeiperiode van twee jaren. Fondsen kunnen op grond van deze bepaling opteren voor een zogenoemde ingroeiperiode van maximaal twee jaar. De ingroeiperiode is nadrukkelijk bedoeld om naar het vereiste 70%-niveau toe te groeien. In dat licht moeten de voorwaarden worden bezien die in het tweede lid worden gesteld met betrekking tot de informatie die moet worden overgelegd bij het verzoek tot aanwijzing. Naast de informatie van het eerste lid moet een ingroeiplan worden overgelegd. Dit ingroeiplan moet de informatie verschaffen op grond waarvan het aannemelijk is dat na afloop van het eerste kwartaal ten minste 30% van de activa van het fonds bestaan uit leningen aan projecten of uit beleggingen daarin, al dan niet indirect. In dit lid is voorts bepaald dat een ingroeischema moet worden overgelegd waaruit blijkt op welke wijze het fonds na een tijdsbestek van twee jaren vanaf het moment van oprichting ten minste 70% van zijn vermogen heeft aangewend ten behoeve van kwalificerende projecten.
In het derde lid van artikel 29 is herhaald dat de inspecteur op het verzoek beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking. Daarmee staat de rechtsgang op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen open voor de verzoekende instantie.
In het vierde lid is bepaald dat in de beschikking is vastgelegd op welke dag de aanwijzing ingaat. Dit is in beginsel de datum waarop het verzoek is ingediend, maar het kan ook een latere datum zijn indien daarom gevraagd wordt. Een latere ingangsdatum kan gewenst zijn indien nog niet aanstonds aan de hoofdzakelijkheidseis wordt voldaan. Afhankelijk van de vooruitzichten die bestaan aangaande het kunnen voldoen aan die eis, kan een datum worden gekozen waarbij rekening kan worden gehouden met een aanloopperiode of zonodig, een ingroeiperiode.
Artikel 29a bevat de informatieverplichtingen van het fonds. Dit is in de eerste plaats de gewone jaarlijkse opgave die vier maanden na afloop van het boekjaar moet worden verstrekt aan de inspecteur. Indien een fonds is aangewezen met een aanloopperiode, moet het fonds na afloop van de aanloopperiode een overzicht van zijn bezittingen en schulden geven, gewaardeerd naar de waarde in het economisc he verkeer, ter controle. Het derde lid van dit artikel schrijft voor dat een fonds dat op verzoek een ingroeiperiode heeft gekregen, elk half jaar de inspecteur informeert over zijn bezittingen en schulden, gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. In het vierde lid is bepaald dat een fonds dat niet meer voldoet aan het hoofdzakelijkheidsvereiste, de inspecteur daarvan onverwijld op de hoogte stelt. In overleg kan dan worden bezien of intrekking van de aanwijzing aan de orde is, of dat er sprake is van een tijdelijke situatie waarbij mogelijk enige coulance kan worden betracht.
Artikel 29b regelt wanneer en op welke wijze de aanwijzing als fonds wordt beë indigd. In de eerste plaats kan de aanwijzing worden ingetrokken op verzoek van het fonds zelf. Ook het niet meer voldoen aan voorwaarden, of het achterwege laten van het verstrekken van de gevraagde informatie, kan aanleiding zijn de aanwijzing in te trekken.
Omdat het intrekken bij voor bezwaar vatbare beschikking gebeurt, staat bezwaar en beroep tegen het besluit open. In het derde lid is bepaald dat de inspecteur in de beschikking ook een besluit geeft over de datum van de intrekking. Doorgaans is die datum gelijk aan de datum waarop het fonds niet meer aan de voorwaarden, inclusief die aangaande de informatieverstrekking, voldoet.
Indien een fonds dat is aangewezen met een aanloopperiode of met een ingroeiperiode, na het verstrijken van die periode toch niet voldoet aan het hoofdzakelijkheidsvereiste, is ook dit grond voor intrekking van de aanwijzing. De aanwijzing wordt in dat geval met terugwerkende kracht ingetrokken met ingang van de eerste dag na afloop van die periode.
Geen terugwerkende kracht wordt aan de beschikking tot intrekking van de aanwijzing gegeven, als het fonds tijdig heeft meegedeeld dat het niet meer aan de voorwaarden voldoet. In het incidentele geval dat de situatie waarin niet voldaan wordt aan het hoofdzakelijkheidscriterium zich slechts tijdelijk voordoet en van voorbijgaande aard is, kan een uitzondering worden gemaakt op de intrekking van de aanwijzing. Is dit het geval, dan kan het fonds in overleg treden met de inspecteur, die kan besluiten de aanwijzing niet in te trekken. De inspecteur is in deze situatie bevoegd tot het stellen van nadere voorwaarden.

Artikel I, onderdeel C (Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, artikel 33)
In het nieuwe artikel 33 zijn de bestaande bepalingen overgenomen omtrent de participatiemaatschappij die (indirect) belegt in durfkapitaal. Zij hebben betrekking op de omvang van het vermogen van de participatiemaatschappij en de grootte van de leningen, deelnemingen en beleggingen. Voorts wordt aangegeven aan welke voorwaarden de lening of deelneming moet voldoen om te kwalificeren als durfkapitaal. Hierin is geen wijziging gebracht.
Niet zijn overgenomen de specifieke bepalingen met betrekking tot bestaande rechtspersonen die zich willen omvormen tot een participatiemaatschappij. Deze bepalingen hebben hun belang verloren door het verloop van de tijd.
In het vijfde lid worden de bepalingen van de artikelen 28 tot en met 29b van overeenkomstige toepassing verklaard voor participatiemaatschappijen. De aanwijzing van een participatiemaatschappij kan op dezelfde wijze worden beë indigd als die van een fonds.

Artikel I, onderdeel D (Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, artikel 45c)
Fondsen die voor de inwerkingtreding van deze regeling zijn aangewezen door de inspecteur met toepassing van de wet zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze regeling, worden op grond van artikel 45c geacht krachtens de wet zoals die thans luidt, te zijn aangewezen.

De staatssecretaris van Financiën,
J.C. de Jager.