Kamerbrief inzake Verslag veertiende reguliere zitting VN-Mensenrechtenraad

In vervolg op mijn brief van 31 mei jl. over de Nederlandse inzet bij de veertiende reguliere zitting van de VN-Mensenrechtenraad (Kamerstuk 2009–2010, 26 150, nr 86 Tweede Kamer), informeer ik u hierbij omtrent het verloop van betreffende zitting. De zitting vond plaats in Genève van 31 mei tot en met 18 juni jl. Met de afloop van deze zitting kwam een einde aan het Nederlandse lidmaatschap van de Raad. Ik kom hier aan het einde van deze brief op terug.

Landensituaties

Hoewel de eerste week van deze zitting van de mensenrechtenraad beheerst werd door het ‘Freedom Flotilla” incident zijn later in de zitting andere landensituaties besproken.

De Afrikaanse Groep diende onverwacht een resolutie in over Burundi. Uit die resolutie zou een sterke beperking van het mandaat van de Onafhankelijke Deskundige volgen. Er werd pas voorzien in rapportage aan de Raad nadat een nationale mensenrechtencommissie zou zijn opgezet. De resolutie bleek zonder overleg met andere delegaties, tot stand gekomen en ook niet afgestemd met Burundi, dat nog altijd uitstel van de Interactieve Dialoog met de Onafhankelijke Deskundige tot de reguliere zitting in september nastreefde. Uiteindelijk trok de Afrikaanse Groep deze resolutie in. De Interactieve Dialoog is uitgesteld tot september.

Wegens afwezigheid, om persoonlijke redenen, van de Speciale rapporteur inzake Soedan, is ook de Interactieve Dialoog met hem uitgesteld tot de volgende reguliere zitting. Op basis van zijn rapport zal de Raad in september besluiten of het landenmandaat voor Soedan wordt verlengd. Gezien de zorgwekkende mensenrechtensituatie in Soedan zal Nederland daar hoogstwaarschijnlijk op aandringen.

De Afrikaanse groep kwam in de laatste week onverwacht met een resolutie om tijdens de volgende reguliere zitting een speciaal panel over de mensenrechten in Somalië te organiseren. De EU en de VS stonden erop dat in de tekst duidelijk zou worden gemaakt dat dit panel niet in de plaats komt van de reeds voorziene Interactieve Dialoog met de Onafhankelijke Deskundige inzake Somalië en dat er een verwijzing naar de mensenrechtensituatie in dat land opgenomen zou worden. Uiteindelijk kon er consensus worden bereikt over een resolutietekst langs deze lijnen.

Het incident met de ‘Freedom Flotilla’ voor de kust van Israël, kreeg gedurende het begin van de zitting alle aandacht van de Raad. Naar aanleiding van het incident heeft de Palestijnse delegatie, gesteund door de delegaties van de Arabische groep, de Afrikaanse groep en de (overige) OIC-landen, verzocht om een spoeddebat. Pakistan, Soedan en Nigeria dienden een resolutie in. De EU heeft tijdens de onderhandelingen gepoogd de voorgestelde resolutie in lijn te brengen met de al eerder uitgegeven verklaring van de Voorzitter van de Veiligheidsraad en de EU-verklaring van HV Ashton. Mede door de onwrikbare positie van Turkije ten aanzien van een internationaal, onpartijdig onderzoek, bleek geen basis voor een consensusresolutie te bestaan en vroegen de VS om stemming. De EU bleek verdeeld en de resolutie werd, met tegenstemmen van Nederland, Italië en de VS, met ruime meerderheid aangenomen. Nederland heeft een stemverklaring afgegeven waarin uiteengezet is waarom Nederland tegen een discussie in de Mensenrechtenraad was. Nederland vond het ongewenst om naast een verklaring van de VNVR en de discussies over het “Flotilla” incident in de Veiligheidsraad een aparte discussie en een andere uitspraak te hebben in een ander orgaan van de VN. Nederland was en is van mening dat het eerst aan Israel en desgewenst de vlaggenstaten is om onderzoek uit te voeren zoals ook weergegeven in de VNVR verklaring. De discussie en resolutie hebben in de visie van Nederland geen positieve bijdrage geleverd aan het vredesproces in het Midden Oosten.

Nederland heeft meermaals grote zorgen geuit over de verdere verslechtering van de mensenrechtensituatie in Iran. Zowel in een nationale verklaring, via een gezamenlijke EU-verklaring als in een door Noorwegen onder agendapunt 8 (Vienna Declaration Programme of Action) uitgesproken verklaring, zijn de mensenrechtenschendingen in Iran aan de kaak gesteld. De genoemde Noorse verklaring, gesteund door in totaal 55 landen waaronder die van de EU, stuitte op veel weerstand van leden. De verklaring kon pas worden afgemaakt na een procedurele schorsing van een aantal uren, omdat leden van de OIC en NAM stelden dat Noorwegen onder dit agendapunt geen landenspecifieke interventies kon maken. In de nationale verklaring heeft Nederland aandacht gevraagd voor de mensenrechtenschendingen zoals ook genoemd in mijn brief aan uw Kamer van 31 mei jl., evenals voor de onzekere situatie rond de gevangen leiders van de Baha’i in Iran, de vervolging van andere religieuze minderheden. Nederland heeft Iran opgeroepen zich aan zijn internationale verplichtingen te houden.

De EU veroordeelde de recente toegenomen geweld tegen de Ahmadiyyah-gemeenschap in Pakistan. Dit leidde tot een emotionele reactie van de Pakistaanse delegatie, die zich verdedigde door kritiek te uiten op de mensenrechtensituatie in EU-landen, waaronder Nederland.

De EU gaf aan positieve ontwikkingen te signaleren ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Sri Lanka, maar zich zorgen te blijven maken over de situatie van journalisten, mensenrechtenverdedigers en het gebrek aan adequate onderzoeken naar diverse mensenrechtenschendingen. Mede op initiatief van Nederland sprak de EU steun uit voor het voornemen van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties om een ‘panel of experts’ op te richten.

Mede op initiatief van Nederland sprak de EU haar ernstige zorgen uit over de onrusten in Thailand. De EU gaf aan dat een onafhankelijk onderzoek door de overheid verwelkomd zou worden. Bovendien werd aandacht gevraagd voor de verdergaande beperkingen van de vrijheid van meningsuiting en werd opgeroepen deze vrijheid te respecteren.

De EU heeft op voorspraak van Nederland zorgen geuit over de mensenrechtensituatie in China en bijzondere aandacht gevraagd voor het gebrek aan transparantie met betrekking tot de mensenrechtensituatie in Xinjiang.

Tijdens deze zitting werden in het kader van de Universal Periodic Review (UPR) de rapporten besproken van 16 landenexamens. De adoptie van het rapport van Iran gaf aanleiding tot een aantal heftige interventies. De voorzitter van de Mensenrechtenraad wees op het feit dat Iran geen positie had ingenomen op een drietal aanbevelingen, hetgeen in strijd met de regels is.

Nederland bood een tussentijdse UPR-rapportage aan. Ons land onderging twee jaar geleden het landenexamen en heeft destijds op eigen initiatief toegezegd naast de verplichte vierjaarlijkse rapportage, een tussentijdse rapportage aan te bieden. Ook Frankrijk, Zwitserland (deels) en Finland presenteerden tijdens deze zitting een dergelijk rapport. Colombia en het VK hadden zulks al eerder gedaan.

Thematische kwesties

Nederland heeft zich er voor ingezet dat de door Cuba ingediende resolutie over culturele diversiteit geen ruimte zou bieden om dat begrip te gebruiken om de universaliteit van de rechten van de mens te relativeren. Uiteindelijk werd een acceptabele resolutie aangenomen, waarin enerzijds is opgenomen dat mensenrechten en culturele diversiteit elkaar idealiter versterken en anderzijds dat geen beroep op culturele diversiteit kan worden gedaan om mensenrechtenschendingen te rechtvaardigen.

Na consultaties en bilaterale onderhandelingen tussen het Spaanse EU-voorzitterschap enerzijds en Pakistan en Egypte anderzijds kon een formule gevonden worden waarmee de Mensenrechtenraad voor het eerst consensus bereikt heeft over een resolutie waarmee de verlenginig van het mandaat van de Speciale Rapporteur voor de Vrijheid van Godsdienst en Geloof werd verankerd. Dit was pas mogelijk nadat Jordanië en Marokko zich hier openlijk voor hadden uitgesproken. In de uiteindelijke tekst wordt het mandaat van 2007 niet opengebroken, maar wordt de Speciale Rapporteur verzocht bij haar werk ook aandacht aan aspecten te geven die door de OIC–landen worden aangekaart, zoals de bescherming van gebedsplaatsen, aandacht voor stigmatisering en profilering, een verwijzing naar de artikelen 19 en 20 van het BUPO-verdrag en de rol van de pers.

De Mensenrechtenraad boog zich over het gezamenlijk rapport inzake geheime detentie in de context van terrorismebestrijding dat was opgesteld door de Speciale Rapporteur Mensenrechten en Terrorismebestrijding, de Speciale Rapporteur inzake Foltering, alsmede de Werkgroepen Arbitraire Detentie en Gedwongen Verdwijningen. De EU heeft waardering uitsproken voor de samenwerking tussen de vier speciale procedures en benadrukte het belang van de onafhankelijkheid van de mandaathouders zoals neergelegd in de Code of Conduct van 2007. Het rapport heeft beschikbare feiten over geheime detentie in één document samengebracht en laat zien dat het een wereldwijd probleem is.

Nederland heeft actief steun verleend aan de door Canada ingediende resolutie over preventie van geweld tegen vrouwen en namens de EU onderhandelingen gevoerd. Er bestond in een vroeg stadium reeds overeenstemming tussen EU-lidstaten over de structuur en het doel van de resolutie. De voornaamste geschilpunten betroffen de verwijzing naar VR-resoluties, de verwijzing naar seksuele oriëntatie en de appreciatie van het laatste rapport van de Speciale Rapporteur inzake Geweld tegen Vrouwen. Met uitzondering van een verwijzing naar geweld tegen vrouwen in situaties van gewapend conflict, zijn nagenoeg alle wensen van Nederland en de EU - direct of indirect - overgenomen. Egypte en de overige OIC-landen dreigden op het laatste ogenblik met amendementen over de exclusief positieve rol van de familie bij het bestrijden van geweld tegen vrouwen. Canada, gesteund door co-sponsors, weigerde overeengekomen taalgebruik te wijzigen en heeft daarmee de resolutie tot een succesvol einde gebracht.

Colombia las in de plenaire van de mensenrechtenraad, mede namens de co-organisatoren van het panel over LGBT met Hoge Commissaris voor de Mensenrechten Pillay vorig jaar (Ierland, Nederland, Tsjechië en de VS) een verklaring voor waarin werd aangegeven dat het van belang is dat de Raad structureel aandacht geeft aan discriminatie op grond van seksuele oriëntatie.

Daarnaast presenteerde de Speciale Rapporteur voor gezondheid zijn rapport, waarbij bijzondere aandacht uitging naar de decriminalisatie van sex tussen mensen van hetzelfde geslacht. Nederland heeft belangstelling getoond voor het rapport en in dit kader wederom aandacht gevraagd voor discriminatie op basis van seksuele oriëntatie.

Nederland maakte gebruik van de Interactieve Dialoog met de Speciale Rapporteur voor mensenrechten en ondernemingen, om aandacht te vestigen op het recente Nederlandse rapport over de wettelijke aansprakelijkheid van Nederlandse ondernemingen voor mensenrechtenschendingen begaan door hun dochterondernemingen in het buitenland.

Vier jaar Nederlands lidmaatschap Mensenrechtenraad

Op 18 juni jl. kwam een einde aan het Nederlandse lidmaatschap van de Mensenrechtenraad en daarmee aan de bijzondere positie van ons land in dit belangrijke VN-mensenrechtenforum. Nederland was lid sinds de oprichting van de Raad in 2006 en in het tweede zittingsjaar leverde ons land de vice-voorzitter. Nederland gold als een van de meest actieve leden en heeft zich in de afgelopen vier jaar ingezet voor een duidelijk inhoudelijk profiel van de Raad en voor betekenisvolle participatie van NGO’s.

Zoals in de mensenrechtenstrategie is aangegeven staan universaliteit van de mensenrechten en de individuele vrijheden onder druk. Met de thematisering van ‘godsdienstlastering’ dreigt de aandacht van bescherming van de individu naar die van religies, levensbeschouwingen en ander gedachtegoed te verschuiven. Er zijn pogingen om het VN-mensenrechteninstrumentarium aan te tasten en het verzet tegen landenspecifieke aandacht wordt voortdurend gevoed. Disproportionele aandacht voor Israël leidt daarnaast af van de situatie in andere landen.

Desondanks zijn in de afgelopen vier jaar tevreden stemmende resultaten behaald. Ten aanzien van een groot aantal belangrijke thema’s zijn sterke resoluties aangenomen en er is regelmatig aandacht gevestigd op landenspecifieke mensenrechtensituaties. De landenexamens i.h.k.v. de Universal Periodical Review (UPR) hebben zich ontpopt tot effectieve manier om landensituaties bespreekbaar te maken. De recente Amerikaanse terugkeer in de Raad heeft de hoop op een sterkere en effectievere Raad bovendien doen toenemen.

De inspanningen van sommige landen om het werk in de mensenrechtenraad te frustreren is niet verminderd en wordt gepareerd door actieve inzet van de EU en gelijkgezinde landen om dit belangrijke mensenrechtenforum optimaal te laten functioneren.

Na de zomer zal – zowel in Genève als in New York - de formele discussie over de evaluatie (review) van de Mensenrechtenraad op gang komen. Ik ben voornemens u op een later tijdstip op de hoogte te brengen van de inzet van de Nederlandse regering terzake en daarbij iets dieper in te gaan op de ontwikkeling van de Raad in de afgelopen vier jaar, alsmede op de Nederlandse inspanningen terzake.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

Drs. M.J.M. Verhagen