Toespraak minister Bussemaker bij Opening Academisch Jaar Radboud Universiteit Nijmegen

Speech van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Jet Bussemaker, bij de opening van het academisch jaar bij de Radboud Universiteit, Nijmegen, 4 september 2017

‘Het geluk van allen is de hoogste Wet: geen Lid, noch eenig deel der Maatschappij kan uit dien hoofde door eenige bijzondere wet ten nadeele der overigens bevoordeeld worden.’

 

Geachte aanwezigen,

‘Het geluk van allen is de hoogste wet’, stelde artikel 1 uit de Staatsregeling van het Bataafse Volk uit 1801 – zeg maar: de voorloper van onze Grondwet.

Het is geen bescheiden thema wat u heeft gekozen voor deze opening van het academisch jaar. Geluk. Niet alleen de Hoogste Wet maar ook een thema dat iedereen aangaat.

Hier, op deze plek, op dit moment, bij de opening van het academisch jaar, doet het me denken aan het begin van mijn eigen studietijd. En dan met name aan de UB. Het geluk dat ik ervoer als ik daar binnenging. De deuren opende van die schatkamer van kennis. Waar ik altijd terecht kon om antwoord te vinden op de vragen die ik had. En waar ik bij de zoektocht naar de antwoorden, onwillekeurig op zijpaadjes terecht kwam die leidden naar kennis waar ik níet naar op zoek was. Voor mij voelde dat als onmetelijke rijkdom. Eerlijk gezegd ben ik wel een beetje jaloers op al die jonge eerstejaars die dat geluksgevoel nog te wachten staat.

Geluk. Iedereen jaagt het na. Bewust of onbewust. Voor zichzelf of voor anderen. Vraag een ouder wat ze ‘t liefst wil voor haar kind en ze zal zeggen: als hij maar gelukkig wordt. Er is een geluksindustrie waar vele miljoenen in omgaan. Elke zichzelf respecterende uitgeverij heeft wel een bestseller in zijn fonds met het woord ‘geluk’ in de titel. En het magazine Happinez is met een oplage van bijna 295.000 groter dan de papieren Volkskrant. Er is dus genoeg om het over te hebben vanmiddag.

Maar eerst wil ik u danken dat u mij heeft uitgenodigd om hier mijn laatste opening van het academisch jaar te doen, als minister van Onderwijs. Want ik hoop wel dat ze volgend jaar rond deze tijd uitgeformeerd zijn…

Het doet me deugd dat ik deze laatste keer hier sta, in Nijmegen - aan een universiteit met een rijke traditie als emancipatiemotor voor katholieke kleine luyden, waar in de jaren zestig en zeventig veel jongeren uit het zuiden van het land als eersten van hun familie gingen studeren. En waar ook nu – in diezelfde traditie - nog steeds veel studenten naartoe gaan van wie geen van de ouders een universitaire opleiding heeft. Want u herbergt van alle brede universiteiten in Nederland nog steeds het hoogste percentage eerste generatiestudenten. Niet meer van katholieke afkomst maar veelal van verder weg.

Ik wil daar toch even bij stilstaan. Want de keuze voor emancipatie en verheffing is een keuze die je als universiteit niet zomaar maakt. Het heeft voor een deel te maken met de omstandigheden: de locatie waar je zit en de signatuur die je hebt. Een katholieke universiteit in Nijmegen trekt nu eenmaal veel katholieke studenten uit het zuiden.

Maar het is ook een bewuste keuze, waar de universiteit haar beleid op afstemt. Waar ze zich mee profileert. Door meer eerstegeneratiestudenten aan te trekken. Door meer vrouwelijke hoogleraren te benoemen dan gemiddeld. Door een collegereeks te organiseren voor asielzoekers in Heumensoord, zoals u vorig jaar heeft gedaan.

U laat daarmee zien dat u zich om meer bekommert dan alleen het aantal wetenschappelijke publicaties of het studiesucces van studenten. Dat u verder kijkt dan rendement. Dat u de mens  achter de student ziet – of erger nog: achter het studentnummer. En dat u zich ook bekommert om zijn of haar welzijn.

De rector magnificus sprak vóór mij al over uw nieuwste wapenfeiten op dit vlak: de enquête over het welzijn onder studenten, en de minor Geluk die u vanaf komend studiejaar aanbiedt. Ik ben ervan overtuigd dat u studenten met beiden een grote dienst bewijst. Met de uitkomsten van de enquête kunt u werken aan een nóg prettiger klimaat aan de universiteit. En ik durf de voorspelling wel aan dat de minor Geluk een van de populairste vakken wordt in uw aanbod.

Uiteraard hebt u wetenschappelijke motieven om de minor aan te bieden, u doet het niet om studenten te trekken. Maar de minor kan ook een welkom neveneffect sorteren: door zich vanuit filosofisch en psychologisch perspectief te verdiepen in het thema Geluk worden studenten zich bewust van hun eigen streven naar geluk. En door zich er bewust van te zijn kunnen zij richting geven aan dat streven. En dat kan weer bijdragen aan het geluk van deze jonge mensen die op zoek zijn naar hun plek in de samenleving.

De minor is daarmee een mooi voorbeeld van onderwijs dat zich niet alleen op overdracht van kennis en vaardigheden richt. Maar ook op ontwikkeling in bredere zin. Op Bildung.

Zoals u wellicht weet heb ik de afgelopen jaren stevig ingezet op onderwijs dat verder kijkt dan alleen de arbeidsmarkt van vandaag en morgen. In mijn visie is onderwijs meer dan alleen een leverancier van werknemers. Onderwijs en onderzoek spelen zich af in een gemeenschap van studenten en docenten waar je je kunt ontplooien en kunt worden wie je bent. Maar waar ook collectieve waarden en maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef worden meegegeven.

Waar je inderdaad ook kennis en vaardigheden opdoet, gericht op het verwerven van een volwaardige plaats in de samenleving - en niet alleen van een goede baan.

Ik ben blij dat ik vandaag hier, in Nijmegen, ben, aan een universiteit waar ik elementen van die visie duidelijk herken.

U lijkt me dan ook het juiste gezelschap om de relatie tussen geluk en onderwijs verder mee te verkennen.

Laat ik dat doen aan de hand van een citaat, dat ik hoorde van mijn Noorse collega: ‘Beter een mislukte advocaat dan een succesvolle loodgieter.’

Een citaat waarachter een wereld van ongeluk schuilgaat. Van altijd maar op je tenen moeten lopen om met je hakken over de sloot te komen. Van altijd de slechtste van je klas zijn. Van niet met je vriendjes kunnen spelen omdat je bijles hebt. En van als je eenmaal die mislukte advocaat bent, je kinderen niet zien opgroeien omdat je avond na avond moet overwerken. Omdat je het tempo eigenlijk niet kunt bijbenen.

In Zuid-Korea ging het tot voor kort zo. Daar werden scholieren opgestuwd tot prestaties die hun kunnen te boven gaan. Kinderen werkten hun er hele schoolloopbaan toe naar één centraal examen dat bepaalde op welk niveau ze verder mogen leren. Op de dag van het examen liepen scholieren van lagere klassen uit om de examenkandidaten geluk te wensen en werd het vliegverkeer stilgelegd, zodat de laatstejaars niet werden gestoord op deze belangrijke dag.

Het resultaat mocht er zijn: Zuid-Korea stond steevast in de absolute top van allerlei ranglijsten waarmee onderwijsprestaties worden vergeleken.

Maar daar stond wel tegenover dat er geen land is waar studenten ongelukkiger waren. Zuid-Korea kampte met een schrikwekkend aantal zelfmoorden onder jongeren, die te relateren zijn aan de psychische druk om te slagen op school.  Die druk was groot omdat de eer van de familie op het spel staat en er soms financiële sancties staan op slechte cijfers.

Nederland scoort ook hoog op de lijstje van onderwijsprestaties. Niet zo hoog als Zuid-Korea, of andere toppers als Singapore, Hong Kong of Japan. Maar wel in de Europese top. En tegelijkertijd behoort onze jeugd tot de gelukkigste ter wereld, zo blijkt uit onderzoek van onder andere Unicef en WHO.

Het kán dus wel.

Het is verleidelijk te denken dat we hier te maken hebben met een cultureel fenomeen. Dat het vastligt. Dat het niet toevallig de landen van de Tiger Moms zijn die steevast de wereldtop vormen als het gaat om onderwijsprestaties. Maar dat het cultureel bepaald is. En dat wij, hier in Nederland, het evenwicht tussen geluk en prestaties van nature bewaren.

Maar schijn bedriegt. Inmiddels zijn ze in Zuid-Korea ook bij zinnen gekomen, en heeft mijn collega van Onderwijs daar nog maar één doelstelling: gelukkige studenten voortbrengen.

Terwijl de prestatiedruk hier in Nederland oploopt. Denk aan het schaduwonderwijs, waar kinderen in het basisonderwijs worden klaargestoomd voor de eindtoets, omdat hun ouders willen dat hun kind een havo-advies krijgt in plaats van een vmbo-advies - ook als dat laatste beter bij het kind past. De huiswerkinstituten floreren, omdat ouders niet willen dat hun kind na de brugklas alsnog afstroomt naar het vmbo - waar het op grond van zijn capaciteiten beter past.

En het gebeurt ook hier, aan de universiteit. Uit recent onderzoek bleek dat maar liefst meer dan een op de drie promovendi aan de Universiteiten van Amsterdam en Leiden het risico loopt om in een depressie te raken. Ook hier speelt prestatiedruk een belangrijke rol. Meer in het bijzonder publicatiedruk.

Het evenwicht tussen prestaties en geluk is fragiel. Voor je het weet, raakt het uit balans, zoals dat in Zuid-Korea is gebeurd. En leveren we geluk in voor een kleine stijging op de lijstjes van onderwijsprestaties. Die prijs is mij al snel te hoog.

Dat brengt me van het ‘enge’ naar het ‘brede geluksbegrip’. Want de opdracht voor onderwijs en onderzoekt reikt verder dan de ontwikkeling van individuele studenten. Onderwijs en onderzoek hebben ook een maatschappelijke opdracht. En die raakt aan het brede geluksbegrip.

Ik begon deze toespraak met artikel 1 uit de staatsregeling uit 1801. ‘Het geluk van allen is de hoogste wet.’

Het geluk van allen dus. Niet van één, niet van het individu. Maar van allen.

In haar boek ‘Not for Profit’ beschrijft de filosofe Martha Nussbaum het gevaar van onderwijs gericht op prestaties, nut en rendement. Ze schetst een stille overname van het onderwijs, die zich sluipend en slopend heeft voltrokken. 

'Distracted by the pursuit of wealth, we increasingly ask our schools to turn out useful profitmakers rather than thoughtful citizens. Under pressure to cut costs, we prune away just those parts of the educational endeavor that are crucial to preserving a healthy society.’

Nussbaum registreert hier een zorgelijke ontwikkeling, die ik ook zie en waar ik me de afgelopen periode tegen heb verzet. Ik heb het over de krachten die studenten zien als de werknemers van de toekomst. Als productiefactoren in dienst van de BV Nederland. Die vinden dat Kennis en Kunde tot Kassa moet leiden.

Terwijl, zo stelt Nussbaum, een gezonde samenleving juist ‘thoughtful citizens’ nodig heeft. Burgers die een brede ontwikkeling hebben gehad, kritisch denken en kunnen reflecteren. Burgers die empathisch zijn en zich in elkaar kunnen verplaatsen.

In de gezonde samenleving van Nussbaum leren studenten niet alleen maar ‘nuttige dingen’ maar worden zij in het onderwijs gevormd tot volwaardige burgers. Tot leiders - waardendragers - van de toekomst.

In feite legt Nussbaum ons een fundamentele keuze voor: willen wij een gezonde samenleving? Of willen we een samenleving waarin het nut en het rendementsdenken regeert en iedereen continu in competitie is met elkaar? Zoals op de scholen in Zuid-Korea, waar de prijs voor een plek aan de top onaanvaardbaar hoog is, en soms zelfs in mensenlevens wordt betaald?

In uw gezelschap, hier in Nijmegen, is dit denk ik een hypothetische vraag. Wij zijn het er waarschijnlijk wel over eens: wij kiezen voor Nussbaums gezonde samenleving - mét alle verantwoordelijkheden die dat met zich meebrengt.

Want als we die keuze maken dan heeft dat gevolgen voor onderwijs en onderzoek.

Dan is onderwijs geen competitie. Geen race naar de top, met winnaars en verliezers.

Dan is de universiteit geen groothandel die in zo kort mogelijke tijd zoveel

mogelijk studenten aflevert aan de arbeidsmarkt.

Maar dan is de universiteit ook geen supermarkt, waar studenten in hun jacht op geluk even wat populaire vakken meepakken, die bij de kassa op ooghoogte liggen.

Als we kiezen voor een gezonde, gelukkige samenleving stelt dat eisen aan ons allen:
 

  • Van bestuurders vraagt het dat zij een duidelijke visie formuleren en daar op sturen. Dat ze evenwichtige onderwijsprogramma’s aanbieden, met oog voor geluk in enge én brede zin. Waarin ruimte is voor zelfontplooiing en maatschappelijke betekenis maar waarin ook het arbeidsmarktperspectief een rol speelt.
  • Docenten hebben een centrale rol in de leergemeenschap die een universiteit is. Van hen mag worden verwacht dat zij hun taak als studiebegeleider serieus nemen. Niet alleen als het gaat om de inhoud maar ook op persoonlijk vlak. Dat ze studenten ondersteunen bij hun ontwikkeling tot ‘thoughtful citizen’ en niet wegkijken bij signalen dat het niet zo goed gaat met een student.
  • Van studenten mag je verlangen dat ook zij zich opstellen als betrokken leden van die onderwijsgemeenschap en daarnaar handelen. Dat zij zich verantwoordelijk voelen voor hun medestudenten en zich gedragen overeenkomstig hun positie als waardendragers van de toekomst. Dat zij doordachte, bewuste keuzes maken in hun studie en zich niet laten leiden door kortzichtige motieven als veel geld verdienen.

En dan mag u van ons politici verwachten dat wij de randvoorwaarden creëren waarmee u het evenwicht tussen kunt bewaken tussen prestaties en geluk.

Makkelijk gezegd, hoor ik u denken. Een minister is slechts een passant, terwijl wij blijven. U hebt gelijk.

En daarom verwacht ik van u allen - bestuurders, docenten en studenten -  dat u mijn opvolgers zult blijven herinneren aan het fragiele evenwicht dat wij koesteren. De delicate balans van kwalitatief goed onderwijs en onderzoek enerzijds en gelukkige studenten anderzijds.

 

Beste mensen,

Laat niet gebeuren wat er gebeurde met artikel 1 van de staatsregeling van het Bataafse Volk. ‘Het geluk van allen is de hoogste wet’. Die formulering heeft het niet lang uitgehouden, want al na vier jaar werd het artikel gewijzigd. Het maakte in 1805 plaats voor het iets bescheidener: ‘Het geluk van een Volk wordt voornamelijk bevorderd door de wijsheid der Wetten, welke het zich geeft.’  Wel bleef het artikel 1 van de Staatsregeling.

Voor zolang het duurde. Want inmiddels is het begrip geluk helemaal verdwenen uit de Grondwet. Artikel 22 komt er nog het dichtst bij in de buurt. Daar staat: ‘De Grondwet schept voorwaarden voor maatschappelijke en culturele ontplooiing en voor vrijetijdsbesteding.’

Vrijetijdsbesteding staat dus wel in de grondwet maar geluk niet meer. Hoog tijd om daar bij een volgende herziening eens naar te kijken.

 

Dank u wel.