Toespraak minister Ollongren bij Planologielezing

Toespraak minister Ollongren bij Planologielezing in Groningen, 11 maart 2019

Beste studenten.

Jullie worden planologen in een bijzonder land.

Nederland heeft een traditie van land maken en inrichten.

Daar zijn we enorm goed in.

En uit die traditie put ik inspiratie.

Uit de visionaire ideeën van planologen als Cornelis Lely die eind 19de eeuw met het idee kwam om de Zuiderzee af te sluiten en droog te leggen;

uit een Albert Plesman die in de jaren’30 de contouren van de Randstad voorzag;

en uit een Arie van der Zwan die in Schiphol de mogelijkheid zag van een Europese hub.

We hebben weer nieuwe Lely’s, Plesmans en Van der Zwans nodig.

In 2050 moet het land klimaatneutraal zijn.

De kolencentrales zijn dan dicht. Olie en gas behoren dan nagenoeg tot het verleden. Er komen windmolens. Zonnepanelen. Warmtenetten. Allemaal veranderingen die een ruimtelijke component hebben.

Deze energieomslag heeft impact voor Nederland en de ruimtelijke ordening.

Kortom ik kan me geen beter publiek wensen vandaag: als je wilt spreken over het Nederland van morgen, dan doe je dat met de aspirant-planologen van vandaag.

Beste studenten.

Laat ik de vraag open bij jullie neerleggen:

Hoe willen jullie dat Nederland eruit ziet in 2050? Als je met een drone over het Nederland van 2050 vliegt, wat zien we dan?

Wat gaat volgens jullie het meest doen met de ruimtelijke inrichting van ons land? Wat zouden we mooier, beter, anders kunnen doen? Waar liggen kansen?

Energie:

Wat betekent de energietransitie voor de ruimte in ons land? Hebben jullie daar ideeën bij? Hoe kijken jullie naar die energieomslag?

Mobiliteit:

Hoe denken jullie je in 2050 te verplaatsen tussen Groningen en Utrecht bv?

Natuur/ het landschap:

Als jullie door Nederland rijden of fietsen, wat willen jullie dan zien? Wat zie je uit het raam als je aan komt vliegen over de kust? Willen jullie dat de Wadden nog altijd de Wadden zijn, de duinen nog altijd de duinen?

[…]

De energie- en klimaatomslag gaat veel doen met onze ruimte - misschien wel bepalend zijn voor de ruimte in Nederland.

Jullie wensen ongetwijfeld een Nederland in een nieuw jasje. Dat voor elkaar krijgen zal een grote klus zijn, maar ook één met grote kansen.

2050 is natuurlijk ver weg en er zijn talrijke factoren onbekend.

Ik denk aan de makers van de film Back to the Future die in 1985 een poging deden om de wereld van 2015 te voorspellen.

2015 zou volgens hen een wereld van rondvliegende prullenbakken en auto’s zijn, een wereld waarin fruit aan het plafond hangt, en waar schoenen zichzelf strikken.

Het maakt duidelijk dat niet alles wat wij nu wensen, denken en willen ook uitkomt. Maar net zo goed geldt, dat een regelmatige toekomstverkenning belangrijk kan zijn.

Want was het niet de film Back to the Future die de aanzet gaf tot de ontwikkeling van … nou bijvoorbeeld het hoverboard? Drones? Videobellen van Skype? De smart glasses van Google?

Uitkomsten zijn deels het gevolg van visualisaties en, vervolgens vooral van het maken van keuzes.

Dus: Als wij een Nederland van groene steden willen,

Als wij een land verbonden door uitgekiende infrastructuur willen,

Als wij een land willen zonder vervuilende kolen, gas en olie, en waar we grondstoffen hergebruiken in plaats van verkwisten,

Als wij een land willen met een goed draaiende, innovatieve economie,

Als wij een land willen dat groen, gezond en leefbaar is, dan kunnen we voor dat land kiezen.

Marty McFly uit Back to the Future zou zeggen:

if you put your mind to it, you can accomplish anything.

Dus let’s put our mind to it. Laten we niet langer blijven zeggen dat er geen probleem is. We staan op een keerpunt. Een keerpunt waarop we keuzes moeten maken.

En gelukkig, als ik afga op de klimaatmars van gisteren (10 maart), het protest van klimaatspijbelaars eerder (en straks weer over drie dagen), op de gedeelde ambities in de politiek en op jullie wensen, dan willen we dat Nederland in een nieuw, schoner, welvarender jasje.

De vraag is alleen: hoe komen we daar?

Beste studenten,

De wijze waarop energie wordt gewonnen en opgewekt, is altijd terug te vinden in het landschap.

Zo zijn in Groningen de rechte kanalen in de Veenkoloniën de sporen van de veenwinning, en getuigen boortorens en jaknikkers van de productie van gas en olie.

Telkens, kortom, heeft de energiewinning zijn sporen achtergelaten in de inrichting van ons land.

Windmolens en zonnepanalen zullen in het Nederland van 2050 ‘het nieuwe normaal’ in het landschap zijn: zij zullen de leveranciers van onze energie en inkomsten zijn.

Tekenen van onze onafhankelijkheid en voorspoed. Maar we moeten ze wel ergens plaatsen, en dat zal nog een flinke puzzel zijn. 

Reken maar na.

Als we onze energiebehoefte met windenergie willen oplossen, dan zijn er 90.000 windmolens van 3 MW nodig.

Is dit veel?

Ja, want nu staan er circa 2500, inclusief die op zee.

Als we onze energiebehoefte met zonne-energie willen oplossen, dan is er 600.000 hectare aan zonnevelden nodig.

Is dit veel?

Ja, want 600.000 hectare staat gelijk aan 1,2 miljoen voetbalvelden, oftewel 20% van ons landoppervlak.

Dus hoe gaan we dit doen?

Het rendement van een windmolen op land is lager dan die van een windmolen op zee.

Je hebt drie windmolens op land nodig voor één op zee, daarom wil je zoveel mogelijk windmolens in zee. Maar die moet je dan wel ruimtelijk kunnen inpassen, want de vissers willen ook visgronden overhouden, de scheepvaart moet ook kunnen varen, en van de stranden moeten we ook kunnen blijven genieten.

En als je die windmolens op zee plaatst, dan is het logisch om de aanlandingspunten in de buurt van grote energieverbruikers neer te zetten.

Anders zou je honderden kilometers aan masten door het land moeten trekken, waar je telkens 80 meter land onder moet vrijmaken… dat is niet te doen.

Maar als je die aanlandingspunten en energieverbruikers bij elkaar plaatst, dan heb je het probleem dat die energiebelangen mogelijk botsen met economie, met milieueisen, met wonen.

En als we met z’n allen zeggen: het is niet mooi om al die hoogspanningsleidingen vanuit zee ver het land in te brengen, hoe gaan we dat dan doen in, bijvoorbeeld, Limburg? Op welke manier voorzien we hen van energie? Daar zijn dus andere oplossingen nodig.

Allemaal dilemma’s, en allemaal keuzes, die we met een nieuwe ruimtelijke ordeningsvisie willen oplossen: de Nationale Omgevingsvisie, de NOVI.

In die visie moet komen te staan waar we naartoe willen. De NOVI legt de basis voor de keuzes waar we geld in steken en waar we voor kiezen als belangen tegenstrijdig zijn.

De NOVI is niet alleen van de Rijksoverheid, zij is ook van de provincies en gemeenten. Met elkaar staan we aan de lat om deze enorme klus zo te organiseren dat maximale samenwerking met bedrijfsleven en de mensen in het land ontstaat.

Want hoe krijgt de energietransitie zijn beslag?

In de kleine dingen:

de zonnepanelen op de daken,

de overstap van het gasfornuis op de inductieplaat,

de afvalscheidingsstations,

de laadpalen.

Met andere woorden: in de wijken.

Daar voelen mensen zich thuis, en daar in dat thuis mogen mensen zich niet overweldigd voelen door energie-infrastructuur.

Kortom: Draagvlak staat voorop. Zeggenschap over wat er in je buurt gebeurt staat voorop. We slagen pas als mensen zeggen:  “Ja als het zo kan worden, dan wil ik het wel.”

Draagvlak begint bij juist informeren, vroegtijdig betrekken bij aanpassingen in de wijk, keuzes laten maken en, indien mogelijk, financiële compensatie of het laten meeprofiteren van de lokale economie. 

Dat is volgens mij de juiste weg. Een mooi voorbeeld zagen we laatst in het NOS Journaal.

Een mevrouw ergerde zich aan een windmolen dichtbij haar huis. Met name aan de slagschaduw ervan. Na een gesprek met de gemeente is ze gedraaid.

Ze profiteert nu van de windmolen. Ze mag een deel van de opgewekte energie voor haar eigen huishouden gebruiken, ze heeft zelfs een app waarmee ze de wieken kan stilzetten op het moment dat ze last heeft van de slagschaduw.

Maar, zo zei ze, van de app heeft ze nog geen enkele maal gebruik gemaakt. Alleen al het idee dat ze door de gemeente gehoord en gekend is, stemt haar milder.

Gemeenten die op deze manier werken, zijn voor mij de voorlopers.

Zij die draagvlak vergroten, zoals in het voorbeeld van de windmolen.

Zij die initiatiefnemers steunen en belemmerende regelgeving wegnemen.

Zij die participatie stimuleren, zoals in Dordrecht waar een norm bestaat voor de afvoer van water, maar waar – omdat een aantal bewoners zelf voorstellen had om de afvoer beter te regelen - de gemeente heeft gezegd: dat is prima, als de norm maar wordt gehaald.

Deze gemeenten hebben goed tussen de oren wat er moet gebeuren. En in hun manier van werken zit een kans om hier ook grotere projecten aan te verbinden.

Maar er gaat ook een waarschuwing van uit.

Als gemeenten en provincies in conservatisme blijven steken, dan moet het Rijk positie bepalen, en dan kom je terug in de situatie dat de rijksoverheid dingen moet gaan opleggen. Dat het Rijk locaties voor windmolenparken gaat aanwijzen. 

In die situatie wil ik in ieder geval niet belanden. Daar wordt het duurder van, de oplossingen zullen minder op maat gesneden zijn en de mensen haken af.

Daarom nog eens de oproep aan provincies en gemeenten: kom in beweging, samen de schouders eronder, samen maken we er een succes van.

Beste studenten.

Ik heb niet alleen provincies en gemeenten nodig, ik heb ook jullie nodig.

Jullie zetten nu duurzame woonwijken, groene industrieterreinen en natuurparken op de tekentafel. Jullie bepalen in niet geringe mate hoe Nederland er in de volgende eeuw uitziet.

Ik kan me voorstellen dat bij een beetje planologiestudent de handen jeuken om aan de slag te gaan met dat geschetste vooruitzicht van een schoner, welvarender en – omdat we veel meer gaan samenwerken – misschien óók wel hechtere Nederland. 

Aan de sceptici die denken ‘2050 is kort dag’ wil ik meegeven dat er in een half mensenleven toch veel kan veranderen.

Vraag, om een idee te krijgen, maar eens aan de hoogleraren die hier op de eerste rij zitten, naar het jaar 1980.

De steden waren toen ernstig in verval, de luchtvervuiling was enorm, de auto was de maat der dingen. Jaarlijks vielen er tweeduizend verkeersdoden.

Inmiddels zitten we op 570 dodelijke verkeersslachtoffers per jaar. Iedere verkeersdode is er één te veel, laat dat duidelijk zijn. Maar die 570 is wel bijna viermaal minder doden bij een vervijfvoudiging van het verkeer, dus een afname met een factor twintig.

En alle terechte ophef over de fraude van Volkswagen en andere autofabrikanten ten spijt is de auto veel en veel schoner geworden.

Hoe de luchtvervuiling is gedaald, is onder meer te zien aan de hand van het aantal uren dat je per jaar meer dan tien kilometer ver kunt kijken: dat steeg sinds 1980 van 4500 naar 6500. En dat hebben we vooral te danken aan schonere auto’s.

Maar het is nog niet genoeg.

De klimaatopgave stelt ons voor een grote opgave. Ik voel mij gesterkt door de aanmoedigingen van de jongste generatie Nederlanders.

Zij zijn opgestaan om ons te vragen keuzes te maken. De goede keuzes. Voor Nederland. Voor de toekomst.

Vooruitgang kan winnen van stilstand.

Als we er samen voor staan en voor gaan.